Geschiedschrijving; Mooie boeken en volop details

Twee trends kenmerken de moderne Neder- landse geschied-schrijving: toename van de leesbaarheid én van de onleesbaarheid. Boeken over de nationale identiteit en de oorlog verkopen goed, evenals biografieën.

'ONGERING!, dacht Ballingh, die zou even willen suggereren dat ik maar een vulgaire popularisator ben, of een populaire vulgarisator, omdat mijn geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog zonder steun van de Organisatie voor Zuiver Wetenschappelijk Onderzoek kan worden uitgegeven.''

W.F. Hermans laat dr. Ballingh, alias dr. L. de Jong, deze woorden denken in Onder Professoren. Ze typeren de toestand van de menswetenschappen in de jaren zeventig.

De afgelopen jaren lijkt de angst niet wetenschappelijk genoeg te zijn echter omgeslagen in een zucht het grote publiek te behagen.

Het einde van de vrijblijvende verstrekking van overheidsfondsen heeft de blik van veel historici naar buiten gericht. Het publiek is herontdekt. Weg met de academische navelstaarderij! Steeds vaker zoeken historici eerst een goede uitgever voordat ze aan een onderzoek beginnen. Ook uitgevers zelf gaan steeds meer op jacht naar auteurs. Leesbaarheid is het codewoord. De narratieve (verhalende) geschiedschrijving wint terrein. De vaderlandse geschiedenis maakt een comeback in de slip- stream.

De verhalende geschiedschrijving probeert een 'beeld' te schetsen van een tijd, eerder dan structuren en ontwikkelingen te analyseren, zoals de 'wetenschappelijke' economische en sociale geschiedenis dat doen. Dat algemene beeld van de cultuur of mentaliteit in een periode wordt vaak geschetst aan de hand van één bron, één persoon of één dorp. “De rechtvaardiging van dit boek ligt niet in het bijzondere dat alleen aan Graft eigen was, maar in het gewone en algemene: een dorp in de Hollandse polder”, schrijft A.Th. van Deursen in de inleiding van Een dorp in de polder; Graft in de zeventiende eeuw (1994). In hoofdstuk twintig schrijft hij: “Telkens bleek ons weer dat de authentieke ontmoeting slechts met de enkeling tot stand komt.”

Een bijna archetypisch voorbeeld van het verhalende genre is het twee jaar geleden verschenen boek van Willem Frijhoff Wegen van Evert Willemsz. Een Hollands weeskind op zoek naar zich zelf. In zijn voorwoord geeft de auteur iedere pretentie van universele geldigheid op. “Ooit dacht ik dat een biografie van een 'gewone' jongen uit het verleden mogelijk moest zijn.” Wie de ruim negenhonderd bladzijden tellende pil heeft doorgenomen, kent dus slechts een leven van een zeventiende-eeuwer die zich in Nieuw-Amsterdam vestigde.

Doordat de bronnen zo centraal staan, gaan de verhalende geschiedwerken die in Nederland worden geschreven bijna altijd over vaderlandse onderwerpen. Daarvoor liggen de bronnen immers onder handbereik. Niet voor niets zijn twee neerlandici belangrijke exponenten van deze hausse: Frits van Oostrom en Herman Pleij.

Uitgeverij Prometheus verkocht veertigduizend exemplaren van Van Oostroms boek Maerlants Wereld. Het laatste werk van Pleij lijkt bedoeld om dat succes te evenaren. Het heeft middeleeuwse fantasieën over luilekkerland Cocagne als onderwerp en is echt een boek om lekker mee weg te kruipen. De stelling van de auteur, “Cocagne is van alle tijden”, bewijst zichzelf.

Geschiedtheoreticus Peer Vries, die zijn vorig jaar verschenen proefschrift aan de terugkeer van de verhalende geschiedschrijving wijdde, is wars van de nostalgie en dweepzucht die volgens hem vaak ten grondslag liggen aan zulke tijdsbeeldstudies. “Geschiedenis is niet een ontvluchten van het heden”, zegt hij.

Jo Tollebeek, eveneens geschiedtheoreticus, vindt dat een onterecht en zwak argument: “Een reis naar een ander land om het te zien, uit interesse, hoeft toch ook niet een vlucht te zijn.”

Toch lijkt de geschiedschrijving zich steeds verder in de richting van de literatuur te bewegen. Wat is nog het verschil tussen het boek van Leonard Blussé over een koloniaal huwelijksdrama, dat nu in de vaderlands-historische Top Tien staat, en de boeken van Hella Haasse? De toekenning van de AKO-literatuurprijs voor Maerlants Wereld aan Frits van Oostrom was wat dat betreft een waterscheiding.

“De trend in de boekhandel moet niet worden verward met de trend in het onderzoek”, zegt Peer Vries. “De verandering voltrekt zich in de verkoopcijfers, maar binnen de geschiedbeoefening is er vooral veel continuïteit.” De 'wetenschappelijke' takken, de sociale en de economische geschiedenis, blijven sterk en komen volgens Vries zelfs weer iets terug. Een monument als het in 1995 verschenen Nederland 1500-1815; de eerste ronde van de moderne economische groei van Jan de Vries en Ad van der Woude mag dat aantonen.

Sterker nog, met de formatie van onderzoeksscholen naar het voorbeeld van de natuurwetenschappen lijkt de verwetenschappelijking, die in de jaren zeventig inzette, haar zenit te hebben bereikt. Maar schijn bedriegt, aldus Vries en Tollebeek. “De scholen vormen alleen nog een dwangbuis voor de jonge onderzoekers. De gevestigde historici gebruiken ze vooral als geldautomaten”, zegt Tollebeek. “De historici hebben wat dat betreft veel geleerd van de maatschappijwetenschappen; ze hebben geen moeite meer om projectteksten te schrijven.”

Van de bedoelde samenhang in het onderzoek komt niets terecht. “Naast de opkomst van de verhalende geschiedenis, met de hele algemene thema's als cultuur, mentaliteit en gender, gaat de versplintering door met de publicaties over hele kleine onderwerpen”, zegt Gees van de Plaat, bij het Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap werkzaam als redactrice van de Bijdragen en Mededelingen tot de Geschiedenis der Nederlanden (BMGN).

Zij heeft sinds begin jaren tachtig de stroom publicaties op het gebied van de vaderlandse geschiedenis zien vertienvoudigen. De onderstroom van ongelezen schrijfsels over micro-onderwerpjes blijft aanzwellen. Die trend staat naast de hausse in 'mooie boeken'.

“Nederlanders zijn misschien te bescheiden om overzichtswerken te schrijven”, zei de Britse historicus Jonathan Israel naar aanleiding van de publicatie in 1995 van zijn The Dutch Republic; Its Rise, Greatness, and Fall 1477-1806. “In Nederland heerst in ieder geval niet de sfeer van: o jongens, schrijf maar raak”, aldus Van der Plaat.

De Oorlog - in veel boekhandels nog altijd synoniem met Nederlandse geschiedenis - is nog het meest versnipperd. “Het regionale aspect wordt sterk naar voren gehaald, ze willen allemaal Loe de Jong corrigeren op het regioniveau, maar het lukt lang niet altijd om De Jong om te draaien”, aldus Van der Plaat.

Het probleem van de historiografische vergruizing werd al door Romein geconstateerd, maar is sterk verergerd door de publicatiedruk die de laatste jaren vanuit Zoetermeer steeds maar is opgevoerd. Het functioneren van historici wordt nog slechts gemeten in de kwantiteit van publicaties.

De fondsen blijven echter niet meer passief wachten totdat historici hun voorstellen voor microstudies ter financiering komen aanbieden. “Wij hebben ook een actieve poot”, zegt Steven Moors van het Prins Bernhard Fonds. Zo is net een groot project opgezet om de Nederlandse vrouwenliteratuur vanaf 1550 in kaart te brengen dat onder leiding staat van professor M.A. Schenkeveld-van der Dussen.

Op die manier kan het fonds ook trends creëren. De biografieëngolf waarover in historisch Nederland wordt gesproken, heeft alles te maken met de twee reeksen die het fonds heeft uitgezet. Van de eerste reeks is het grootste deel inmiddels verschenen. Vooral de biografie van Guido Gezelle door Michel van der Plas is goed ontvangen.

Omdat het fondsbestuur toch niet geheel tevreden was over het verloop van de eerste reeks is in 1992 besloten aan nogmaals tien auteurs stipendia te verlenen voor het schrijven van biografieën van belangrijke Nederlanders. Ditmaal bedroegen de beurzen een ton, zodat de schrijvers ook daadwerkelijk tijd vrij zouden kunnen maken voor het werk. De zwaarste kluif is nog wel de Wilhelmina-biografie van C. Fasseur die begin volgend jaar wordt verwacht.

Nog spraakmakender is het 'ijkpunten-project' dat de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek heeft opgezet. Dat drijft mee op een hype rondom onze nationale identiteit. Het gaat erom 'de Nederlandse cultuur in Europese context' te observeren in de ijkjaren 1650, 1800, 1900 en 1950-1973. Zo moet volgens het jaarverslag 1996 een “beeld” tot stand komen, “waarbij het accent ligt op de verwerking van buitenlandse impulsen en de verbreiding over de grenzen heen van gedachtengoed en culturele producten die in Nederland zijn ontstaan”.

Het project is zeer strak georganiseerd. Het is uitdrukkelijk de bedoeling dat over elk van de vier ijkpunten een synthese wordt geschreven. Daarvoor zijn telkens twee redacteuren uit verschillende disciplines aangewezen. In een vijfde deel “zal een poging tot generalisatie worden ondernomen”, kondigt het jaarverslag aan.

Vooralsnog wordt ook het succes van dat project gemeten in het aantal verschenen publicaties. Publicatiegeilheid beheerst nu eenmaal het moderne academische leven. 'Structuur'-historici en 'leefwereld'-historici lijden er in gelijke mate aan. In de top vijftig van meest schrijvende historici die het Historisch Nieuwsblad eind vorig jaar samenstelde, staan Pleij en Frijhoff op nummer twee respectievelijk vier. Maar de lijst wordt aangevoerd door Jan Luiten van Zanden die als economisch-historicus is verbonden aan de Posthumus Onderzoeksschool.

De professionele historici zijn echter niet alléén verantwoordelijk voor de apocalyptische publicatievloed. Een deel ervan komt voor rekening van “historische voetbalblaadjes” die de vele lokale amateurverenigingen uitgeven, aldus Van der Plaat. Zij ziet jaarlijks achtduizend titels op het gebied van de Nederlandse geschiedenis aan zich voorbij trekken. Slechts een klein deel is 'wetenschappelijk' genoeg voor een plaatsje in Kroniek, het jaaroverzicht van de BMGN.

De groei van de lokale historische en genealogische verenigingen laat zien dat er een sterk toegenomen belangstelling is voor de eigen geschiedenis. Dat uit zich ook in de steeds toenemende herdenkingswoede. “Nederland herdenkt zich suf”, zegt Van der Plaat. Keurig een week voor de Marshall-herdenking kwamen er vier boeken over dat onderwerp binnen op het instituut. Behalve Wilhelmina (koningin 1898-1948) worden volgend jaar publicaties verwacht over Thorbecke en de grondwet (150 jaar) en de vrede van Munster (350 jaar).

Herdenkingen lenen zich bij uitstek voor sponsoring, de magische derde-geldstroom waarvan de gangen der academies gonzen. In de schaduw van de lust; vijfentwintig jaar Rutgers Stichting 1969-1994, onlangs verschenen van de hand van medisch historica Lidy Schoon, werd onder andere door Organon gesponsord.

De Nederlandse historicus van nu wordt dus heen en weer geslingerd tussen de markt en de beleidsmakers. Maar de dilemma's zijn niet nieuw. In het openhartige voorwoord van Wegen van Evert Willemsz. verwoordt Frijhoff het zo: “Ik (...) zocht een weg tussen de klippen van het larmoyante populisme en het drammerige elitisme dat in de geschiedschrijving steeds weer de kop opsteekt.”