De norm van Nuis

Er valt de laatste weken in deze krant heel wat te lezen over de 7-procentsnorm waarmee Nuis de Nederlandse orkesten wil opzadelen. Wie minder Nederlandse muziek speelt, zal door Nuis op zijn subsidie gekort worden. De krant merkt op dat met deze regeling orkestwerken na een première nog levenskansen wordt geboden. Niet een kunstmatige ingreep, maar het succes van de première in kwestie zou echter garant moeten staan voor vervolguitvoeringen.

Duidelijk is voor mij dat deze onzalige regeling Nuis is ingefluisterd omdat ze de laatste schakel vormt in een keten van door de overheid gesanctioneerde voorzieningen voor concurrentievervalsing in de kunst. Beginpunt van deze keten vormt het door de staat met drie miljoen gulden gedoteerde Fonds voor de Scheppende Toonkunst. Dit fonds bepaalt met haar uitkeringen welke componisten er serieus genomen mogen worden en in de regel de rest van hun leven recht hebben op jaargelden. Pikant detail: de verdelers van de gelden zijn al te vaak ook ontvangers van gelden geweest. Hoe dan ook, de werken van deze Fondspatiënten behoeven enige nazorg. Ze moeten immers nog uitgegeven worden. Dat gebeurt met voorkeursbehandeling bij een tweede gesubsidieerde instelling: Donemus.

Tenslotte moet die dubbel gesubsidieerde muziek voor een derde maal ondersteund worden door de overheid met de norm van Nuis. Goddank heeft uiteindelijk het publiek en niet de staat het laatste woord. Uit het recent verschenen onderzoek 'Het luisterpeloton' van Cas Smithuijsen blijkt dat 'de belangstelling voor Nederlands werk aanmerkelijk is teruggelopen' in vergelijking met dertig jaar geleden. Kunst die tot driemaal toe op de been moet worden gehouden is geen kunst, maar slappe was.