De Bijlmer begint aan een tweede leven; Hoop voor een veelgeplaagde wijk

Saai en monotoon - zo staat de Bijlmer bekend. Toch is er veel bijzondere architectuur te zien in deze beruchte woonwijk in Amsterdam. NRC Handelsblad zette ter gelegenheid van de Dag van de Architectuur, op 28 juni, een twee uur durende architectuurwandeling door het hart van de Bijlmer uit.

De Amsterdamse Bijlmermeer is ongetwijfeld de beruchtste wijk van Nederland. 'Bijlmer' is zelfs versmolten met 'toestanden' tot 'Bijlmertoestanden', een ander woord voor de combinatie van verpaupering, sociale onveiligheid, verslonzing, gettovorming en treurige, monotone gebouwen die dit allemaal in de hand hebben gewerkt. Het kan niet anders of het woord Bijlmer is zo afschrikwekkend geworden dat nog maar weinig mensen gaan kijken in deze wijk, die in de jaren zestig ontstond op de tekentafels van de dienst Stadsontwikkeling van Amsterdam.

Wie een wandeling door het hart van de Bijlmermeer maakt, moet vaststellen dat elke vergelijking met een echt getto in bijvoorbeeld de Verenigde Staten lachwekkend is. In de Bijlmer geen uitgebrande en uitgeleefde huizenblokken met autowrakken, zoals iedereen die kent uit de videoclips van hiphopgroepen. Ook ontbreken de vijandige blikken van de veelal zwarte bevolking die de blanke flaneur het gevoel geven dat hij hier niets te zoeken heeft.

Er is maar één plek in de Bijlmer die doet denken aan The Bronx in New York of South Central in Los Angeles, en dat is winkelcentrum Ganzenhoef (6). Hier voelt de wandelaar zich licht onbehagelijk tussen de druk pratende en gesticulerende junkie-achtigen, die zich ophouden in de donkere spelonken onder de vervallen, in onbruik geraakte parkeergarage. Deze duistere plek heeft tegelijk iets onwerkelijks, doordat grimmigheid hier botst op de vredigheid van een kinderboerderij die tegen het winkelcentrum is opgetrokken. Achter rustieke hekken grazen paarden en ganzen lopen met hun jongen over straat, alsof men in de Middeleeuwen is teruggekeerd.

In de rest van de Bijlmer treft niet de chaos, maar juist de orde. De verspreid liggende rommel en het verval dat de galerijflats heeft getroffen, heeft weinig afbreuk gedaan aan de strikte logica die vanaf het begin de Bijlmer heeft beheerst. Nog steeds is de Nieuwe Orde van de Bijlmer huiveringwekkend. De regelmaat van de in honingraatvormen opgestelde woongebouwen geeft het gevoel dat hier een heroïsche poging is ondernomen om de mens door architectuur gelukkiger te maken.

Er zijn weinig plekken op aarde waar de modernistische stedenbouw, met functiescheiding als leidend beginsel, zo rigoureus en compromisloos is uitgevoerd als in de Bijlmer. Wonen moet men in de galerijflats (2 en 3), zich vermaken ertussen, en werken buiten de wijk. Winkelen wordt men geacht te doen in grote centra of in het oude Amsterdam. Hier is de droom die Le Corbusier in de jaren twintig had werkelijkheid geworden: zelfs de verkeersstromen - fietsers, wandelaars, metro en autoverkeer - zijn strikt gescheiden, zoals de architect in zijn nooit gerealiseerde ontwerp voor Une Ville Comtemporaine uit 1922 al tekende. De auto's rijden op verhoogde wegen vanwaar men een van de vele lugubere parkeergarages in kan rijden, de parken tussen de flats zijn het domein van fietsers en wandelaars.

Maar in een droom valt niet te wonen. Een echte nachtmerrie is de Bijlmer niet geworden, maar de collectieve wereld met identieke woningen heeft nooit veel mensen aangetrokken. De Bijlmerbewoners stemden met hun voeten: wie kon, verhuisde zo snel mogelijk uit deze corbusiaanse idylle. Zo werd al in 1977, een paar jaar na de voltooiing van het grootste deel van de honingraatflats, leegstand een probleem. Vreemd genoeg kampten sommige flats juist met overbewoning. Zo moest de volledig uitgewoonde Gliphoeve al in 1982 worden gerenoveerd en kreeg deze flat wegens de associatie met diefstal, drugs en geweld een andere naam: Geldershoofd en Gravenstein.

Sommige architecten horen nog steeds niet graag dat de Bijlmer is mislukt. In beginsel is de Bijlmer goed, zo luidt hun verweer, het probleem is alleen dat er de verkeerde mensen zijn komen wonen. De galerijflats, die ondanks de geïndustrialiseerde bouw vrij duur waren en dus een hoge huur kenden, waren bedoeld voor middenklassegezinnen. Maar door een samenloop van omstandigheden, waarvan de onafhankelijkheid van Suriname er één was, werd de Bijlmer vooral gebruikt voor de opvang van weinig draagkrachtige immigranten. Het is natuurlijk een redenering die niet klopt. Als de Bijlmerflats echt populair waren geweest onder degenen voor wie ze waren bedoeld, had deze nieuwe wijk van 100.000 inwoners nooit als kolossaal opvangcentrum kunnen dienen.

Andere architecten, zoals Kees Rijnboutt die Hoogoord (10), de eerste galerijflat van de Bijlmer, heeft ontworpen, zagen wel in dat de corbusiaanse woonwijk niet werkte en ontwierpen later andersoortige woongebouwen. Zo bevat het gebouw met de naam Hoptille (11) - anders dan de monomane galerijflats - tien typen woningen. Maar ook Hoptille werd al gauw door sociale problemen geteisterd. De bewoners werkten door hun verschillende leefstijlen op elkaars zenuwen en nadat een ex-delinquent een student had vermoord met wie hij samen op een dubbele HAT-eenheid was geplaatst, werd Hoptille tweemaal gerenoveerd.

Hoptille was het aarzelende begin van de vernieuwing van de Bijlmer, die nu pas, vijftien jaar later, vorm begint te krijgen. Vlakbij Hoptille is een centrum met winkels en kantoren verrezen, dat de Bijlmer heeft veranderd van een wijk in een voorstad. Hier heeft de Bijlmer, als een historische stad, een eigen kasteel gekregen in de vorm van de organische ING-bank (12), ontworpen door de antroposofische architecten Alberts en Van Huut. Vlakbij staat het Treasury Center (13) van dezelfde bank, een gebouw dat alles bevat wat het architectenbureau Atelier Pro bekend heeft gemaakt: een slingerend volume gecombineerd met doosvormen, bedekt met chic beige steen.

Als alles goed gaat, wordt dit winkel- en kantoorcentrum van de Bijlmer aan de andere kant van het spoor uitgebreid met een amusementscentrum. Daar ligt tussen de vorig jaar geopende ArenA (16) en een serie kantoortorens (17 t/m 21) een stuk land braak dat is bestemd voor een megabioscoop, winkels en horeca. Er zouden ook theaters komen, maar amusementsindustrieel Joop van den Ende trok zich onlangs terug uit het project. Hoe groot de plannen zijn voor dit deel van de Bijlmer is te zien aan de ArenA-boulevard, een 70 meter brede laan voor voetgangers (15). Nu alleen het stadion nog maar is voltooid, is dit ongetwijfeld de vreemdste straat van Nederland: een brede vlakte met bomen en lantaarnpalen van Philippe Starck die van nergens naar nergens loopt.

De plannen voor het nieuwe centrum bij De ArenA maken deel uit van de grootscheepse vernieuwingen van de Bijlmer waartoe het stadsbestuur in 1992 besloot. Deze zijn bijna even radicaal als de Bijlmer zelf ooit was. Op papier zijn ze hoopgevend voor de veelgeplaagde wijk, die in 1992 een tragisch dieptepunt beleefde met het vliegtuigongeluk dat delen van de flats Kruitberg en Groeneveen wegvaagde (5). Veel van de parkeergarages, broeinesten van criminaliteit, en een kwart van alle galerijflats worden gesloopt om plaats te maken voor lagere en meer gevarieerde bebouwing. De rest van de flats wordt grondig onder handen genomen: op de begane grond komen woningen en de eindeloze galerijen worden minder lang en dus minder anoniem. De 'dreven', de verhoogde autostraten die ooit de trots van de Bijlmerontwerpers waren, worden verlaagd, zodat het verkeer een vanzelfsprekend onderdeel van de wijk wordt.

Met de Bijlmerdreef is dit al gebeurd en hier zijn dan ook de eerste resultaten van de Bijlmervernieuwing te zien. Een laagbouwwijkje van Lafour & Wijk is al voltooid, compleet men het al veel bezongen kerkje 'De Nieuwe Stad' (7). Ook beneden-bovenwoningen van dezelfde architecten en van Claus & Kaan zijn af (8 en 9). Deze blokken, versierd met panelen die het leven van alledag weergeven en herinneren aan het optimisme van de jaren vijftig, moeten zorgen voor ouderwetse stedelijkheid in de Bijlmer, de wijk die ooit was bedoeld als de grote ontkenning van de traditionele stad.