Fusie van grote archieven voor beeld en geluid

HILVERSUM, 25 JUNI. Het Nederlands Audiovisueel Archief, de fusie van de vier grootste documentaire beeld- en geluidsarchieven in Nederland, is vanmiddag officieel opgericht. De nieuwe stichting verenigt het archief van de omroepen (het vroegere NOB-archief), het filmarchief van de Rijksvoorlichtingsdienst, de stichting Film en Wetenschap en het Omroepmuseum.

Voortaan zal elk van de vier zich presenteren onder de naam NAA. De fusie moet vooral leiden tot het vergroten van de toegankelijkheid, ook voor niet-professionele gebruikers.

Een eerste stap is een koppeling van de bestanden tot één elektronische catalogus, zodat op elk van de huidige adressen kan worden gezien welk materiaal waar te vinden is. Ook de gegevens over nonfictie-collecties van instituten als het Filmmuseum, het Theater Instituut, het Smalfilmmuseum en de diverse gemeente-archieven moeten op den duur in die ene catalogus kunnen worden opgezocht. Uiteindelijk hoopt het NAA een centrale behuizing te kunnen betrekken, waar ook het materiaal zelf onder één dak wordt opgeslagen.

Het bestaande budget van de vier fusie-partners (in totaal circa 20 miljoen gulden) wordt door staatssecretaris Nuis (Cultuur) in de komende vier jaar verhoogd met 10 miljoen gulden. Dat geld is vooral bedoeld voor conservering en inventarisatie.

Elk van de vier instituten heeft te kampen met een grote achterstand. Zo ligt bij het omroeparchief nog restmateriaal van Polygoon, in de jaren dertig opgenomen in Nederlands-Indië, maar tot dusver niet in kaart gebracht. Elders liggen voorlichtingsfilms van de overheid, waar nog niets mee is gedaan, en een niet-geconserveerde collectie antropologisch materiaal.

Andere prioriteiten betreffen het vinden van opdrachtfilms voor bedrijven, reclamefilms en lokale en regionale films. Voorts is het directeur Edwin van Huis 'een doorn in het oog' dat tot dusver niets is verzameld van de commerciële stations. “Het gaat er niet om dat we alles willen hebben”, zegt hij, “maar we moeten wel in staat zijn te verwijzen - en daarom is het van belang zo veel mogelijk te inventariseren van wat her en der wordt bewaard. Tot dusver hebben we naar mijn vaste overtuiging nog maar een tipje van de sluier kunnen oplichten. Er is in Nederland veel meer bewaard gebleven dan iedereen denkt.”

Vooralsnog werkt het NAA voornamelijk voor professionele gebruikers, zoals programmamakers en onderwijsinstanties. Voor het publiek heeft de fusie nu nog geen zichtbaar gevolg, aldus Van Huis. Evenmin als tot dusver het geval was, kan men op aanvraag programma's terugzien. Wel bestaan er plannen om delen van de collectie te ontsluiten in samenwerking met gespecialiseerde instituten. Zo wordt nu samen met het Theater Instituut in Amsterdam een danscatalogus gemaakt, die daar kan worden geraadpleegd.

“Het principe is dat iedereen uiteindelijk alles zal kunnen zien”, zegt Van Huis. “Maar helaas ontbreken ons daarvoor nu nog de faciliteiten; in het omroeparchief hebben we bijvoorbeeld maar vijf viewing-ruimtes, die meestal worden bezet door programmamakers. Dat moet in de toekomst veranderen. Zoals je naar de bibliotheek gaat om een boek te lenen zonder dat de bibliothecaris vraagt waar je dat voor nodig hebt, zo moet het ook mogelijk zijn in het audiovisueel archief te raadplegen wat je wilt. Het is per slot van rekening de geschiedenis van de twintigste eeuw die we hier beheren.”