Een dag minder maakt niet uit

Een dag van verschil. Een studie naar temporele aspecten van het dagelijks leven van werknemers met een vierdaagse respectievelijk vijfdaagse werkweek. Door S. Raaymakers. Uitg. Tilburg Univerity Press, ƒ 42,50.

Of men nu een vierdaagse of een vijfdaagse werkweek heeft, in de besteding van de vrije tijd maakt dat niet of nauwelijks iets uit. Misschien dat mensen met een vierdaagse werkweek wat vaker uitgaan en dat van die categorie mensen met een zogenoemde hedonistische instelling (menen dat genot het hoogste goed is) weer wat meer uitgaan. Maar in het algemeen nemen ze niet vaker deel aan actieve vormen van vrijetijdsbesteding, zij onderhouden niet vaker sociale contacten, noch is er enige invloed te zien op het gebruik van massamedia. Mannelijke werknemers kennen overigens een actievere vrijetijdsbesteding dan vrouwen, en werknemers met een partner zijn actiever in het besteden van hun vrije tijd dan mensen zonder partner.

Dat zijn de voornaamste conclusies in het proefschrift Een dag van verschil, een studie naar de temporele aspecten van het dagelijks leven van werknemers met een vierdaagse respectievelijk vijfdaagse werkweek waarop S. Raaymakers van de vakgroep Vrijetijdwetenschappen van de Katholieke Universiteit Brabant onlangs promoveerde.

Raaymakers (41, geboren in Son) onderzocht drie bedrijven die collectief overgingen op een vierdaagse werkweek (zonder dat daar overigens de arbeidsduur mee werd verkort) en vier bedrijven met een vijfdaagse werkweek. Alle zeven zaten in de transport en de metaal. Mensen die met hun werkgevers individueel een verkorte werkweek overeenkwamen vielen buiten het onderzoek. Raaymakers noemt dit “jammer omdat deze overstap gepland is en daarom mag worden verwacht dat bij deze mensen sprake zal zijn van een herkenbaardere invulling van de vrije tijd”.

Het proefschrift van Raaymakers wordt opgesierd met een stralende zon. Die zon stond op het affiche dat in 1990 tijdens een campagne van de vakbeweging voor invoering van een vierdaagse werkweek werd gebruikt. In dat jaar brak haast van de ene dag op de andere de discussie daarover los. De vierdaagse werd al snel gezien als de gewenste dan wel gevreesde opvolger van de vijfdaagse. Bonden van de FNV zagen in de discussie een mogelijkheid om de vastgelopen strijd voor verdere arbeidstijdverkorting vlot te trekken. De vrouwenbeweging meende er een middel in te zien voor een betere verdeling van arbeid en zorg. De werkgeversorganisaties waren fel tegen. Ze meenden dat een vierdaagse werkweek uiteindelijk zal leiden tot verkorting van de bedrijfstijd. Omdat ze juist een verdere flexibilisering van de arbeid willen, spraken ze er de banvloek over uit.

De vierdaagse werkweek, zegt Raaymakers, is in ons land in de marge gebleven. Dit in tegenstelling tot de Verenigde Staten, die al sinds het begin van de jaren zeventig een volgens Raaymakers spectaculaire groei kennen in het aantal ondernemingen dat overging op een vierdaagse. Toch heeft Raaymakers de indruk dat in Nederland de strijd om de vrije tijd anno 1997 de weg heeft vrijgemaakt om een verdere arbeidstijdverkorting hand in hand te laten gaan met een verdere flexibilisering van de arbeidstijd.

Voornaamste slotsom uit Raaymakers' proefschrift is dat mensen veelal bij hun oude routine blijven en weinig creatief over de vierdaagse blijken na te denken en dat de werkgevers van hun kant er volgens hem “krampachtig” op reageren.

Wat mannen betreft stelt Raaymakers vast dat die de meer vrije uren die hun door een vierdaagse werkweek ter beschikking staan in ieder geval niet of nauwelijks besteden aan meer zorgtaken in het huishouden. Liever liggen ze langer in bed of besteden ze meer zorg aan maaltijden of aan persoonlijke verzorging. Mannen zijn vooral niet te verleiden tot meer huishoudelijk werk als er tijdens de vierdaagse een uur langer per dag moet worden gewerkt. Dan zijn ze, aldus Raaymakers, trouwens ook minder bereid tot overwerk. Invoering van een vrije vrijdagmiddag levert misschien nog de grootste bijdrage aan partcipatie van mannen in zorgtaken, maar in het algemeen kan worden gesteld dat een vierdaagse werkweek weinig of niets bijdraagt aan de emancipatie van de mannen en van de vrouwen.

School- en clubtijden, de openingstijden van dienstverlenende instellingen en bedrijven vormen, aldus Raaymakers, nog altijd een afgeleide van de vijfdaagse, 40-urige werkweek van vroeger.