'Bankbiljettenmysterie' blijft onopgelost

AMSTERDAM, 25 JUNI. Met een beetje goede wil valt in de afgelopen Weekstaten een 'whodunnit' over een bedrag van zo'n 200 miljoen gulden te lezen. In de eerste twee weken van juni zijn de bankbiljetten in omloop met bijna 200 miljoen gulden toegenomen. Vooral in de tweede week was de toename om onduidelijke redenen nogal geprononceerd.

Uit de huidige Weekstaat blijkt dat het aantal bankbiljetten in omloop in de derde week van juni weer met 235 miljoen gulden is afgenomen. Daarmee is de eerdere stijging van de bankbiljettenhoeveelheid meer dan teniet gedaan; het waarom van deze mutaties blijft echter enigszins schimmig.

Eveneens onduidelijk lijkt de vrij forse afname van de post Vorderingen en waardepapieren in buitenlandse geldsoorten met 649 miljoen gulden. Deze daling vindt in de Weekstaat immers slechts deels haar tegenhanger in een daling van de post Waarderingsverschillen en van de post Verplichtingen in buitenlandse geldsoorten. De afname van de waarderingsverschillen met 145 miljoen gulden zal met name haar oorzaak vinden in de wat lagere dollar- en yenkoers. De daling van de verplichtingen in buitenlandse geldsoorten met 390 miljoen gulden hangt samen met uitleentransacties door DNB. Het nog niet verklaarde deel van de afname van de Vorderingen en waardepapieren in buitenlandse geldsoorten vindt haar oorzaak in betalingsverkeer door DNB in opdracht van andere partijen, met name het Rijk. Ofwel, het Rijk heeft DNB gevraagd om voor haar een betaling in vreemde valuta te verrichten. Zoals bekend streeft het Rijk sinds begin dit jaar een schatkistsaldo na van 50 miljoen gulden, en komt deze betalingsopdracht dus niet tot uiting in een lager schatkistsaldo. Wel kan deze indirect teruggevonden worden in de vorm van een krappere liquiditeitspositie van het bankwezen (i.c. minder aanhouden op kasreserve). Uit de Weekstaat blijkt verder dat bovenvermelde mutaties, tezamen met een 179 miljoen gulden ruimere speciale belening, een afname van de vaste voorschotten met 63 miljoen gulden en enkele geringe mutaties in de overige posten, hebben geresulteerd in aan toename van de kasreserve met 114 miljoen gulden tot 4.724 miljoen gulden. Dankzij de relatief ruime kasreserves in de eerste weken van de kasreserveperiode, kunnen de banken het zich thans permitteren om een kasreserve aan te houden die achterblijft bij de gemiddeld minimaal aan te houden kasreserve (5.013 miljoen gulden). Over de gehele kasreserveperiode bezien lijkt de gemiddeld aangehouden kasreserve zeer dicht in de buurt van de minimaal aan te houden gemiddelde omvang uit te komen.

Bron: ING Economisch bureau