Politici op de bres voor productie Nederlandse speelfilm

DEN HAAG, 24 JUNI. Bewindslieden en Kamerleden hebben gisteren in Den Haag op de Dag van de Nederlandse Film steun toegezegd aan de Nederlandse speelfilm. Minister Wijers (Economische Zaken) zei voor 1 januari 1998 een bureau te willen instellen dat de particuliere investering van risicodragend kapitaal in de Nederlandse speelfilmproductie gaat stimuleren.

Staatssecretaris Vermeend (Financiën) is bereid die investeerders fiscale voordelen te bieden. Staatssecretaris Nuis (Cultuur) wil zes miljoen gulden uitgeven aan het pilot-project Telefilm op voorwaarde dat de omroep en de film- en televisiefondsen gezamenlijk hetzelfde bedrag op tafel leggen. Het project omvat zes door de publieke omroep uit te zenden tv-films met een budget van gemiddeld twee miljoen gulden per film.

De woordvoerders Cultuur van de Tweede-Kamerfracties van PvdA (M. van Zuijlen) en VVD (S. van Heemskerck Pillis-Duvekot) zegden toe te bevorderen dat in hun respectievelijke verkiezingsprogramma's een verdubbeling van de subsidie voor het Nederlands Fonds voor de Film opgenomen wordt. De rijksbijdrage aan het Fonds bedraagt op dit moment ongeveer 17 miljoen gulden per jaar, waarvan circa 11 miljoen bestemd is voor de ontwikkeling en realisatie van lange speelfilms.

Kamerleden van de paarse coalitiepartijen lieten doorschemeren dat zij nog deze week een amendement willen indienen, dat de publieke omroep verplicht niet alleen een kwart van hun programmabudget te besteden bij onafhankelijke productiemaatschappijen, maar ook een vijfde deel daarvan (vijf procent van het totale budget) aan oorspronkelijk voor de bioscoop bestemde speelfilms.

De stroom aan initiatieven van politici ter bevordering van de filmproductie is het resultaat van een intensieve lobby van het gezamenlijke Nederlandse filmbedrijf. Het marktaandeel van de nationale speelfilm (5,5 procent in 1996) is in Nederland veel lager dan in omringende landen: 16,2 procent in Duitsland, 16,8 procent in Denemarken en 37,5 procent in Frankrijk. Ook het aantal speelfilms per jaar is in Nederland beduidend lager: twaalf in Nederland, tachtig in Duitsland, twintig in Denemarken en 129 in Frankrijk. De overheidsfinanciering voor speelfilmproductie bedraagt in Nederland 80 cent per hoofd van de bevolking tegenover 2 gulden in Duitsland, 5,60 gulden in Denemarken en 3,60 gulden in Frankrijk. Ook in vergelijking met de andere kunsten is de subsidiëring van film in Nederland aan de lage kant. De kleine miljoen bezoekers van Nederlandse speelfilms in 1996 zagen elke stoel gesubsidieerd worden met elf gulden, tegenover 97 gulden voor dans, 140 voor muziek, 153 voor toneel en 223 gulden voor opera en operette.

Filmers en politici zijn het eens over de onwenselijkheid van de marginale positie waarin de Nederlandse speelfilm is terechtgekomen, maar over de juiste remedie verschillen de meningen. De bewindslieden Wijers, Vermeend en Nuis menen dat een integrale beleidsaanpak van 'de filmindustrie' een economisch levensvatbare bedrijfstak moet maken, die minder dan voorheen afhankelijk is van subsidie. In het verleden waren particuliere investeerders steeds minder bereid om 'durfkapitaal' te pompen in een slechts bij uitzondering lucratieve vorm van bedrijvigheid. De instelling door Economische Zaken van een bureau dat bemiddelt tussen producenten en investeerders zou daar volgens de bewindslieden verandering in moeten brengen. Het bureau moet als een vliegwiel werken en nieuw elan veroorzaken. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling dat het bureau zelf geld gaat uitgeven, zei minister Wijers, die wel bereid is een startkapitaal te fourneren. Een belangrijke prikkel zou uit kunnen gaan van diverse belastingfaciliteiten. De exacte omvang en aard daarvan wordt op prinsjesdag bekendgemaakt, maar staatssecretaris Vermeend denkt aan het mogelijk maken van 'willekeurige afschrijving van de voortbrengingskosten van speelfilms', zodat investeringen door grote financiers al direct integraal voor de belasting afgetrokken kunnen worden. Ook wordt gewerkt aan de mogelijkheid van een op de filmindustrie toegespitste toepassing van de 'tante Agaathregeling' voor beginnende ondernemers. Die regeling houdt in dat een deel van de winst van kleine beleggers niet belastbaar is. De vorm van beide soorten investeringen zou die van commanditaire vennootschappen zijn, met een beherend vennoot (producent) en stille vennoten (investeerders).

Het stimuleren van de particuliere financiering kan tot gevolg hebben dat het Nederlands Fonds voor de Film zich meer specifiek gaat toeleggen op de ondersteuning van de artistiek waardevolle, maar niet per se winstgevende filmproductie. Het is echter de vraag in welke mate het initiatief van Wijers werkelijk investeerders aan zal trekken. Het PvdA-Kamerlid Van Zuijlen verwacht daar bijvoorbeeld weinig heil van en bepleit een verruiming van de subsidiëring van de totale filmproductie. Een verdubbeling van het budget van het Filmfonds hoeft niet ten koste te gaan van de overige kunstenbegroting: “Er is geld genoeg. Denk maar eens aan de opbrengst van de Staatsloterij,” aldus Van Zuijlen. De PvdA denkt ook aan de bestemming van een deel van de inkomsten uit de privatisering van de NOB (geraamd op minstens 100 miljoen gulden) ten bate van de filmproductie, maar VVD en D66 zien dat geld liever terugstromen naar de schatkist.

Ook over de aard van de films, die geheel door particulieren, al dan niet met steun van de omroep, gefinancierd moeten worden, bestaan verschillende opvattingen. Alleen de winstkansen van de filmprojecten zouden mogen worden beoordeeld. Minister Wijers kan zich voorstellen dat een flink deel van die films Engelstalig wordt. Maar de Engelse journalist Angus Finney, auteur van een recent boek over de Europese filmindustrie, wees in Den Haag op het belang van een eigen culturele identiteit: “Alleen films die iets over Nederland laten zien, laten zich in principe exporteren. Wie denkt voor een budget van twee miljoen dollar of lager een Engelstalige film voor de internationale markt te kunnen maken, vergist zich deerlijk. Op dat terrein valt vooralsnog de strijd met Hollywood niet te winnen”.