Noodmaatregelen (1)

“Amsterdam heeft wat de inzet van noodmaatregelen aangaat een zekere reputatie op te houden. (...) Een van de eerste keren was in 1980

bij de inhuldiging van Beatrix als koningin. Een groot gedeelte van de Amsterdamse binnenstad werd toen bij noodbevel tot verboden gebied verklaard. Voor de bewoners gold een pasjesregeling.'' (J.G. Brouwer en A.E. Schilder, verbonden aan de Groningse en Leidse Faculteit der Rechtsgeleerdheid in NRC Handelsblad, 18 juni). Een kleine precisering:

Het gebied dat op 30 april 1980 gedurende één dag voor voetgangers was gesloten (behalve voor bewoners o.a. die zich met een speciaal pasje konden legitimeren) werd begrensd door Singel-Spui-Nieuwe Zijds Voorburgwal en Hekelveld. (Nota van B en W van Amsterdam aan Gemeenteraad; Gemeenteblad afdeling 1, mei 1980). Is dat naar Leidse en Groningse maatstaven “een groot gedeelte van de binnenstad?”

Overigens zou ik het een goed idee vinden als mensen van de wetenschap zoals de schrijvers, zich niet alleen zouden verdiepen in de vraag welke

juridische middelen en bestuurders en politie niet mogen gebruiken, maar

tevens helder zouden uiteenzetten welke effectieve bestuurlijke en/of juridische middelen wel aan de verantwoordelijke autoriteiten ten dienste staan bij de aanpak van situaties waarin grote veiligheidsrisico's bestaan en duizenden mensen op de been zijn.

Als Kohl en/of Chirac eenmaal het slachtoffer van een aanslag zijn geworden, sta je als bestuurder niet geweldig sterk met de verdediging dat je geen middel had om vooraf op te treden, maar dat gelukkig alle schuldigen achteraf wel gearresteerd zijn.