Met geavanceerde technologie alleen win je geen oorlog

Een zelfverzekerde Amerikaanse minister van Defensie Cohen verklaarde onlangs dat bij een conflict waarin de Verenigde Staten hun militairen inzetten de tegenstander niet op een 'faire' maar op een 'unfaire' strijd kan rekenen. Cohen doelde hiermee op de superieure wapensystemen en informatietechnologie waarover de Amerikaanse krijgsmacht beschikt en die bij voorbaat een snelle Amerikaanse overwinning garanderen. De futurologen Alvin en Heidi Toffler verkondigen zelfs dat de Verenigde Staten vooralsnog als enige land op de drempel staan van de 'Third Wave War'.

Historisch gezien onderscheiden de Tofflers drie 'golven' van oorlogvoering. In het agrarische tijdperk domineerde de landbouw en was de oorlog gericht op het veroveren en bezetten van territorium. Daarna kreeg in het industriële tijdperk de oorlog het karakter van een uitputtingsslag, toegespitst op het marginaliseren van het vermogen van de vijand tot het kleden, voeden, bewapenen en uitrusten van zijn krijgsmacht. Volgens de Tofflers bevinden we ons thans in de overgang naar het derde stadium van oorlogvoering, die van het informatietijdperk. Aangezien kennis volgens hen de belangrijkste vorm van macht gaat vormen, komt in de oorlog het verkrijgen en beschermen van informatie centraal te staan.

De euforie over de toenemende digitalisering van het slagveld is recent nog versterkt door de overwinning van de schaakcomputer 'Deep Blue' op Kasparov. De mogelijkheden van de computer lijken oneindig. De traditionele krijgsman dreigt, kortom, het veld te gaan ruimen voor de 'information warrior'.

Is enige relativering niet op zijn plaats? In oktober 1993 trachtte de Amerikaanse krijgsmacht in de jacht op Aideed de verbindingen van deze Somalische krijgsheer elektronisch te storen. Aideed frustreerde deze pogingen door zijn verbindingen met drums te onderhouden. Bovendien wisten zijn krijgslieden met eenvoudige schoudervuurwapens geavanceerde Amerikaanse helikopters boven Mogadishu naar beneden te halen.

Er zijn twee belangrijke kanttekeningen te plaatsen bij de rol van technologie in de oorlogvoering in het algemeen en die van digitalisering in het bijzonder. In de eerste plaats pretendeert de digitale revolutie de vele onzekerheden die de oorlogvoering kenmerken vrijwel tot nul te reduceren. Maar Von Clausewitz schreef reeds: “Alles

is zeer simpel in de oorlog, maar het simpele is moeilijk. Deze moeilijkheden hopen zich op en veroorzaken een frictie waarvan iemand die de oorlog niet zelf heeft meegemaakt zich geen juiste voorstelling kan maken.'' 'Frictie' is een van de belangrijkste begrippen die Von Clausewitz in de oorlogvoering introduceerde. De mogelijke oorzaken van frictie zijn velerlei: weer, terrein, stress, vermoeidheid, toeval, geluk, misverstanden en onverwachte gedragingen van de tegenstander. Maar het kenmerk van technologie is dat deze voornamelijk onder vrijwel frictieloze omstandigheden werkt.

Daar komt bij dat het in de militaire besluitvorming - net als bij het bestuderen van geschiedenis - niet alleen om het vergaren van gegevens gaat, maar vooral om het interpreteren ervan. Digitale processen versnellen het verzamelen en het presenteren van de informatie waarop een commandant zijn overwegingen en uiteindelijke beslissing baseert. Maar zij kunnen niet de snelheid vergroten waarmee hij kan denken. Voor het nemen van belangrijke beslissingen blijft enig nadenken nodig.

De trend van de militaire digitale revolutie is de noodzaak om na te hoeven denken te verkleinen door irrelevante van relevante informatie te

scheiden. Het gevaar is echter dat het oordeel over wat relevant voor de

bevelvoering is aan machines of aan ondergeschikten wordt gedelegeerd.

In het begintijdperk van de nucleaire confrontatie verwierpen overheden de 'Doomsday Machine' als de ultieme logica van de afschrikkingstheorie.

Dit geautomatiseerd systeem zou geprogrammeerd worden om een dreiging te

identificeren en vervolgens in staat zijn raketten te lanceren. Dit zonder tussenkomst van de mens. Politieke leiders voorzagen hiermee echter terecht het einde van de diplomatie en van een overheid die rekening en verantwoording schuldig is. De werkelijke uitdaging voor de digitale revolutie is systemen te ontwerpen die een militaire commandant

kan beheersen in plaats van dat hij volledig afhankelijk is van deze systemen.

De tweede kanttekening betreft de vraag in hoeverre hoogwaardige technologie in de huidige, voornamelijk intrastatelijke, conflicten bruikbaar is. Anders gezegd: bereiden de Verenigde Staten zich niet te veel voor op de 'hightech' oorlog die ze willen voeren, maar veel minder

op de conflicten die ze niet kunnen vermijden. In 1995 waren alle conflicten waarin meer dan duizend doden vielen intrastatelijk. Ze speelden zich in overwegend agrarische samenlevingen af. Conflicten zoals in Vietnam, Afghanistan, Somalië en Tsjetsjenië tonen aan dat het nog steeds noodzakelijk kan zijn de primitieve gevechten van

het agrarische tijdperk te voeren. Bovendien is bewezen dat deze legers uit het agrarische tijdperk kunnen zegevieren indien ze goed geleid zijn

en hun aanvoerders superieure strategieën ontwikkelen.

Een ontwikkeling binnen het intra-statelijk conflict die de mondiale veiligheidssituatie de komende decennia ingrijpend zal veranderen is de toenemende urbanisatie. De trend naar verstedelijking is het meest prominent in de ontwikkelingswereld. Het aantal stedelingen zal in Zuid-Amerika van meer dan 43 procent in 1950 tot ongeveer 90 procent in 2010 stijgen, in Afrika in dezelfde periode van ongeveer 14 procent tot meer dan 53 procent en in Azië van ruim 16 procent tot meer dan 50 procent. Hoewel er geen directe relatie bestaat tussen urbanisatie en geweld, leidt urbanisatie gecombineerd met andere factoren, zoals een afnemende legitimiteit en effectiviteit van de overheid, tot explosieve situaties. Reeds nu is in grote steden en gebieden in de Derde Wereld waar staten ineen zijn gestort het geweld overal aanwezig. Geweld is hier in het dagelijks leven eerder regel dan uitzondering. Niets wijst erop dat dit in de nabije toekomst zal veranderen.

De toekomst van de oorlogvoering ligt waarschijnlijk dan ook voor een belangrijk deel in de straten, riolen, kantoorgebouwen en industriële complexen, en in de congestie van huizen, hutten en tenten die de verpauperde steden van onze wereld vormen. 'Urban warfighting' in grote steden wordt zo het postmoderne equivalent van de guerrilla-oorlogvoering in de jungles en bergen.

Ondanks alle moderne technologie blijft de bereidheid het 'traditionele'

nabijgevecht aan te gaan daarom een basisvereiste voor iedere militair.