Liefdesliedjes met dubbele bodems

Concert: The Divine Comedy. Gehoord: 23/6 Paradiso, Amsterdam. Herhaling: 24/6 Vredenburg, Utrecht (voorprogramma van Radiohead, uitverkocht), 25/6 Rotown, Rotterdam.

Popzangers die daadwerkelijk contact zoeken met hun publiek zijn dun gezaaid. De Ier Neil Hannon (Londonderry, 1970) is een gunstige uitzondering. Zijn groep The Divine Comedy maakt min of meer tijdloze popmuziek in het verlengde van The Walker Brothers, Marc Almond en de Britse music hall-traditie. Hannon zingt zijn ouderwets melodieuze liedjes niet alleen met veel drama, maar weet het publiek erbij te betrekken met cynische grappen en anekdotes. “Mag ik een handtekening,” vroeg iemand. “Ja hoor,” antwoordde Hannon, “als je na afloop nog bij me in de buurt kunt komen.”

Neil Hannon begon met het schrijven van symfonieën, beweert hij, en kwam pas later uit bij de eenvoud van beknopte popsongs. Ze hebben meer gemeen met vooroorlogse radiodeunen dan met Britpop, hoewel er soms ook nadrukkelijk elektrische gitaren en sample-keyboards gebruikt worden. Met twee toetsenmannen op het kleine podium van het bovenzaaltje van Paradiso dreigde een overmacht aan techniek, maar Hannon hield de zaak in evenwicht met zijn droge, donkere stemgeluid.

Juist omdat hij geen verstand van de liefde heeft, zegt Hannon, noemde hij zijn laatste, live met orkest opgenomen cd A Short Album About Love. Gedwongen om over het onderwerp na te denken, kwam hij met quasi-romantische liedjes als Everybody knows. Bijna altijd hebben ze een dubbele bodem. Als jij een paard was, zingt Hannon in If, dan zou ik niet klagen als ik je stal op moest ruimen. Is dat romantisch, of misschien juist een onbeholpen manier om het meest bezongen onderwerp in de popmuziek te ontwijken?

Ook zonder orkest maakt The Divine Comedy boeiende muziek met meer dan gemiddeld intelligente teksten. Het hoeft niet altijd vertrouwd te klinken. Zo eindigde Tonight in loeiende dissonanten en zette Hannon in Charge een enorme keel op terwijl de aanzwellende muziek een onheilspellende sfeer veroorzaakte. Hannon heeft de uitstraling van een lichtelijk hautaine popster die tot grotere dingen in staat moet worden geacht. Toch leek hij in zijn element in het matig gevulde zaaltje, waar hij de geesten van Jacques Brel, Scott Walker en de jonge David Bowie met succes uit de fles riep.