Het groene goud van India

Aan thee kan nog goed verdiend worden in India. Dat planters in Assam een goede kans lopen ontvoerd te worden door een lokale onafhankelijkheids- beweging schijnt ze niet erg te deren. Problematischer is de tegenvallende export. En de toekomst van biologisch geteelde thee is nog onzeker. Portret van een oude industrie.

Terwijl de eerste moessonregens van dit jaar ruisend neerdalen op de reusachtige Salonah-plantage in Assam in het noordoosten van India, gaan honderden met paraplu's gewapende vrouwen onverstoorbaar door met het plukken van het groene goud van deze regio: de verse lichtgroene blaadjes aan de bovenkant van de theestruikjes. Behendig trekken ze het jonge groen los en deponeren het in een grote mand op hun rug.

Een paar kilometer verderop, nog ruimschoots binnen de grenzen van de meer dan duizend hectaren tellende plantage, worden de sappige blaadjes in een eigen fabriek binnen enkele uren tot kant-en-klare droge thee verwerkt. In een belendend zaaltje onderwerpen ervaren proevers het product luid slurpend aan een laatste kwaliteitscontrole. Dan kan de lange tocht naar de dorstige kelen van consumenten in India, Engeland of Duitsland beginnen.

Aan de rand van de plantage, waar een dichte jungle begint, herinneren enkele platgetreden hekjes aan een recent bezoek van olifanten, frequente maar weinig geliefde gasten op de plantage. Olifanten en een incidentele tijger zijn echter niet de meest gevreesde bezoekers op de plantage. Dat zijn de militante strijders van het United Liberation Front of Asom (ULFA) en diverse groepjes gewapende Bodo's, allen strevend naar autonomie of zelfs onafhankelijkheid voor Assam dan wel voor de lokale stam van de Bodo's.

Die hebben er sinds 1990 een gewoonte van gemaakt de managers van grote theeplantages te ontvoeren. Slechts tegen betaling van een losgeld werden ze weer vrijgelaten. Sommigen moesten de acties van de extremisten met de dood bekopen en één manager werd een jaar lang vastgehouden.

“Tot op de dag van vandaag blijft het een probleem”, geeft Robin Borthakur van de Indian Tea Association in Guwahati toe. “Op de een of andere manier heeft bij de Assamese bevolking de gedachte postgevat dat de thee-industrie de vruchten van het land plukt zonder daar veel voor terug te geven. De militante organisaties probeerden daarmee hun voordeel te doen. Maar de laatste tijd zien steeds meer mensen in dat die hun eigenlijk weinig hebben te bieden.”

Om aan de afpersingspraktijken een einde te maken, zetten de kopstukken van de Assamese thee in 1994 een bewakingsdienst op. Managers van grote plantages kregen ieder de beschikking over een legertje lijfwachten van 21 man. Op de Salonah-plantage is hiervoor een speciaal kazerne-achtig gebouwtje ingericht. Y.K. Behl, een vijftiger die de Salonah-plantage met zijn ruim 2.000 werknemers als een generaal leidt, wordt echter niet warm of koud van zulke maatregelen. “We hebben de laatste tijd niet meer zo'n last van die radicale jongens”, is het enige wat de martiaal ogende planter er over kwijt wil.

Toch werd nog niet lang geleden een collega van een naburige plantage ontvoerd. Doordat die echter onderweg listig een sok liet vallen, kon de politie hem snel traceren en bevrijden. “De theeplanters in Assam kunnen wel tegen een stootje”, aldus Saroj Mehera, een voormalige directeur van het enorme Tata Tea-bedrijf, die nu als consultant in Calcutta werkt. “Het zijn geharde mensen, die heel wat gewend zijn.”

Hoewel de Salonah-plantage met zijn licht glooiende terrein er adembenemend groen uitziet, kijkt Behl van de Assam Company , die al 31 jaar in het vak zit, zuinig. “De oogst valt tegen dit jaar”, constateert hij, in zijn korte broek op het terras van zijn riante bungalow gezeten. “Een periode van droogte eerder dit jaar breekt ons op. Vorig jaar waren we hier op de Salonah-plantage goed voor 2,2 miljoen kilo thee. Dat halen we dit jaar zeker niet.”

Dat is een lelijke streep door de rekening van de Indiase thee-industrie, al jaren de grootste ter wereld en een belangrijke bron van buitenlandse valuta's voor de Indiase economie. De Indiërs hadden zich in 1993 ten doel gesteld in het jaar 2000 de magische productiegrens van een miljard kilo thee te doorbreken.

Maar het staat nu al vast dat dat doel op geen stukken na zal worden bereikt. Vorig jaar, een uitzonderlijk goed theejaar in India, bedroeg de totale oogst 754 miljoen kilo. Ter vergelijking: de nummer twee van de wereld, China, kwam tot 588 miljoen kilo en Sri Lanka en Kenya deelden de derde plaats met elk zo'n 245 miljoen kilo. De totale wereldproductie bedroeg vorig jaar 2,5 miljard kilo. Assam nam met 400 miljoen kilo bijna een zesde van de wereldproductie voor zijn rekening.

Al valt de oogst dit jaar tegen, toch klagen de Assamese planters en hun bazen in Calcutta niet al te luid, want de prijzen die ze op het ogenblik voor hun product vangen, zijn hoger dan ze de laatste jaren gewend waren. Op de theeveiling van Guwahati, de rommelige en ook voor Indiase begrippen zeldzaam smerige hoofdstad van Assam langs de oevers van de machtige rivier de Brahmaputra, gaan ook de goedkopere varianten grif van de hand. Ze halen gemakkelijk prijzen van boven de 70 rupees (fl 3,25) per kilo, zo'n 60 procent meer dan een paar jaar geleden. Veel Assamese thee wordt vervolgens gebruikt voor mengsels voor theezakjes.

De prijs van de thee van de Salonah-plantage uit midden-Assam, die te laag is gelegen om thee van grote kwaliteit voort te brengen, zweeft rond de 80 rupees. De plantage produceert dit jaar alleen de zogeheten CTC-thee (Crush, Tear and Curl-thee), die fijner is gesneden en daardoor een krachtiger smaak oplevert dan de uiterlijk grovere maar in smaak superieure Orthodoxe thee-soorten. Uit een kilo CTC kunnen veel meer koppen thee worden getrokken dan uit een kilo Orthodox.

De geschiedenis van de thee in Assam begint ruim anderhalve eeuw geleden. Tot dan was thee, door reizigers omschreven als een “heerlijke Oosterse drank”, alleen bekend uit China. In 1823 ontdekten enkele Britten echter in het verre noordoosten van Assam in het wild groeiende exemplaren van de camellia sinensis, zoals de theeplant officieel was gedoopt. Het duurde nog enkele jaren voor onder supervisie van de Britse East India Compnay de eerste plantages in het zeer dicht begroeide gebied waren opgezet, maar in 1838 konden de eerste 12 kisten thee dan toch naar een veiling in Londen worden verscheept.

De beginjaren van de thee in Assam waren uiterst moeizaam. Een reis vanuit Calcutta naar het noordoosten van Assam, waar op beide oevers van de Brahmaputra ook vandaag nog de beste theeplantages zijn gesitueerd, duurde soms vier maanden. Aangezien er ter plaatse weinig werkkrachten beschikbaar waren, importeerden de Britten die uit het naburige Bengalen, Bihar en Orissa.

Het werd een van de zwartste hoofdstukken uit de Britse koloniale geschiedenis. Onder omstandigheden, die zo ten hemel schreiend waren dat ze de slaventransporten van Afrika naar Amerika naar de kroon staken, werd het nieuwe werkvee aangevoerd. Een groot deel van deze koelies overleefde de reis naar hun nieuwe werkplaats niet. Eenmaal aangekomen, moesten ze niet alleen lange dagen maken, maar waren ze in het zeer vochtige en tropische klimaat bovendien overgeleverd aan allerlei besmettelijke ziekten. Ook hun hardvochtige bazen waren daarvoor overigens allerminst immuun. Velen stierven aan malaria, kala azaar of mijnwormziekte. Van de 84.915 arbeiders die tussen mei 1863 en mei 1866 in Assam aankwamen, waren er in juni 1866 al 30.000 gestorven. De Britse eigenaars in Londen konden intussen tevreden achteroverleunen, want de winsten bleven rijkelijk binnenvloeien.

Tegen het einde van de vorige eeuw begon er eindelijk verbetering te komen in het lot van de plantage-arbeiders, zowel onder druk van de arbeiders als door een meer verlicht denkende bedrijfsleiding. Inmiddels horen de arbeiders in de theeplantages, mede dankzij hun sterke vakbond en steun van de regering, tot de meest bevoorrechte van India. Ze hebben naast hun (bescheiden) salaris recht op gratis huisvesting, medische hulp, gesubsidieerde rijst en meel, brandhout, thee, regenkleding en een bijdrage voor hun pensioen. Stakingen doen zich vrijwel nooit voor in de Assamese thee-industrie.

Al deze voorzieningen kosten de werkgevers echter handenvol geld en dat vindt zijn weerslag in de prijzen. “Vroeger exporteerden we 40 procent van onze thee naar Engeland, nu is dat nog maar 30 procent”, zegt de assistent-manager van de Salonah-plantage. “In Sri Lanka en Kenya zijn de productiekosten veel lager dan bij ons. We draaien nog steeds met winst, maar we maken dure thee.”

Tot ergernis van de Indiërs steken de Sri-Lankezen met hun kleine binnenlandse markt hen al jarenlang de loef af als 's werelds grootste thee-exporteur. De Indiërs proberen op hun beurt hun uitvoer op te voeren, maar dit wil nog niet erg lukken. In het jaar 1996-97 beliep de export zo'n 170 miljoen kilo.

India is nog altijd de klap niet te boven die werd veroorzaakt door het plotselinge inzakken van de Sovjet-markt. De Russen namen tot begin jaren negentig zo'n 120 miljoen kilo per jaar af van India, ruim de helft van de toenmalige totale uitvoer. De Russen betaalden de Indiërs bovendien om politieke redenen een prijs die boven die van de wereldmarkt lag. Daaraan kwam na 1991 door het uiteenvallen van de Sovjet-Unie een abrupt einde en sindsdien is de invoer van het voormalige Sovjet-rijk nog maar een fractie van wat ze vroeger was.

Hoewel ook Assam de teloorgang van de Sovjet-markt aan den lijve heeft gevoeld, gold dat nog veel sterker voor het iets westelijker gelegen Darjeeling, de vermaarde theeplaats in de schaduw van de kolosssale Kanchenjunga-berg (8.586 meter), waar vanouds de champagne onder de thee's vandaan komt. De opbrengst per hectare is daar altijd beduidend lager geweest dan in Assam en dat wordt maar ten dele gecompenseerd door de hogere prijs die goede Darjeeling-thee opbrengt (meestal zo'n 150 rupees per kilo).

Wat Darjeeling jarenlang gaande hield, was de Sovjet-Unie, die bereid was voor een goede prijs Darjeeling-thee van mindere kwaliteit af te nemen. Dat doen de Russen nu echter niet meer. “Het probleem is dat de helft van de thee in Darjeeling helemaal niet beter van kwaliteit is dan die in Assam”, zegt Saroj Mehera in Calcutta. “Ik zie werkelijk niet in hoe Darjeeling ook in de toekomst ooit erg winstgevend kan worden. Er zijn daar inmiddels zelfs al enkele faillisementen geweest.”

Een ander probleem in Darjeeling, dat trouwens ook planters in andere delen van het land parten speelt, is dat er nauwelijks meer ruimte is om het thee-areaal uit te breiden. Er zijn wettelijke maxima aan het landbezit gesteld. Dit is vooral lastig voor bedrijven die hebben verzuimd tijdig oude theestruikjes (van boven de zestig jaar) te vervangen door jonge. Het duurt tussen de vier en acht jaar voor de nieuwe struikjes volgroeid zijn en een volledig aandeel in de productie kunnen leveren.

Intussen vestigen sommigen in Darjeeling hun hoop op een nieuw fenomeen in het theebedrijf: de zogeheten organische thee. Dat is thee, waarvan de groei niet kunstmatig is aangewakkerd met behulp van chemicaliën in mest en pesticiden. Aangezien er pas een jaar of tien op kleine schaal mee wordt geëxperimenteerd, is nog niet geheel duidelijk wat de consequenties van zo'n milieuvriendelijke aanpak zijn. De hoofdvraag van veel planters is: loopt de opbrengst per hectare er door terug? En wordt dat verlies wel goedgemaakt door betere prijzen?

De eerste ervaringen geven nog weinig zekerheid. Een abrupte overschakeling van de traditionele verbouw met chemicaliën op de organische thee gaf in het zuiden van India, waar in de hoger gelegen gebieden eveneens thee wordt verbouwd, een forse daling in de opbrengst te zien. Ook in Sri Lanka was dat het geval. Wanneer daarentegen een nieuw stukje theeplantage wordt geopend, waarop de organische methode wordt gevolgd, zijn de resultaten bemoedigender.

In landen als Duitsland en ook Nederland lijkt er wel degelijk een markt voor organische thee te bestaan, ook al is die 30 tot 40 procent duurder dan 'gewone' thee. Inmiddels produceert India ongeveer een miljoen kilo organische thee per jaar.

“Ik ben wel gewonnen voor het concept”, aldus de gelouterde theeman Mehera in zijn kantoortje in Calcutta. Ook hij geeft echter toe dat nog nimmer is aangetoond dat iemand schade aan zijn gezondheid heeft opgelopen door het gebruik van chemicaliën in de theeplantages. Dat organische thee zeker niet het kopje thee van iedereen is heeft hij intussen ook ervaren. Mehera: “Ik weet van een grote Duitse thee-importeur, die ik niet nader zal noemen, die heeft gedreigd alle invoer van thee uit India stop te zetten, zodra er Indiase organische thee op de Duitse markt verschijnt.”