Een dagje congres

Zoals gewoonlijk was ik op tijd. Trein vertrekt om 7.35. Het is zaterdag, het zal niet druk zijn, maar er staat wel een flinke rij voor het - enige - geopende loket. Ik sluit aan. Overweeg m'n kaartjes te kopen aan de automaat, maar ben niet zeker van het assortiment aan geld dat ik bij me heb.

Ik taxeer de wachtenden voor mij. Een gepensioneerde boer met een witte pet, die z'n kaartje al te pakken heeft, maar de tijd neemt nog zo het een en ander bij zich te steken. Daarachter een echt oud baasje dat zal vragen of hij over Utrecht moet of Arnhem en dat wel 's flink doof zou kunnen zijn. Daarachter een allochtoon, die zijn plaats van bestemming zal proberen uit te leggen in het Swahili. Daarachter drie lawaaiige jongens, die allemaal een kaartje of misschien samen één kaartje zullen kopen. Daarachter - vóór mij - een vrouw van het VVD-type dat, ter betaling, een cheque gaat uitschrijven en dan ook nog haar foto moet tonen en haar pas, waarvan het nummer moet worden overgeschreven... Nog zeven minuten. Dit haal ik niet.

Maar ziet, het oude baasje is niet doof, de neger spreekt accentloos en verstandig Nederlands, die is in een ommezien klaar, de drie jongens kopen snel één kaartje, de vrouw voor mij is in een oogwenk geholpen en ik ook.

Ik heb nog vier minuten, goed voor een krant. Maar de kiosk is nog dicht, zo vroeg zijn wij. En het is zaterdag, dat zal de reden zijn.

De trein is op tijd en snel. In Zwolle hollen honderden jongens en meisjes over de perrons heen en weer, schreeuwend en stoeiend - dat moet allemaal mee. Geen probleem, de trein is niet alleen snel, maar ook lang. De horden werken zich naar binnen en zullen zich tijdens de reis redelijk koest houden. Ik zit rustig eersteklas, deurtje dicht en lees Tucholsky tot Utrecht.

Het boemeltje naar Leiden, helemaal op perron 19, staat op me te wachten. Maar gaat voorlopig niet weg. Het treintje is nagenoeg leeg en - hé - een bekend gezicht. C.

Ze gaat tegenover me zitten. We hebben wat te bespreken. We zijn beiden op weg naar hetzelfde congres. We rijden genoeglijk, overal stoppend, door de weilanden naar Leiden en C. neemt me vervolgens 'door de leukste straatjes' mee naar het grote, nieuwe Academiegebouw aan de Doelenstraat. Het congres is al begonnen - zo blijkt, als we, te laat, want van ver immers, op de derde verdieping een collegezaal binnenstappen. Een congresje. Dertig man schat ik.

Een boeiende dag, een inspirerende voorzitter - maar de borrel om vijf uur laat ik voor wat het is, ik wil wel weer naar huis. Ik loop naar het station, langs een andere leuke weg en weer staat het boemeltje klaar. Ik heb tien centimeter krant bij me; dat heb je, op zaterdag.

In Utrecht weer allemaal jongeren. EO-dag begrijp ik, uit hun geroep, en ik zoek maar weer een stille eersteklas coupé. Zit daar C. Was ook niet naar de borrel gegaan. Reizen we gezellig samen.

De trein zet zich in beweging en mijn reisgenote gaat zitten lezen in 'Politicus zonder partij' - voor haar tentamen. Ik sla een moordverhaal op in de Telegraaf. Maar krijg niet de kans het uit te lezen. C. is een kwebbel, en de tijd vliegt voorbij. De trein rijdt hard, heeft geen vertraging. De trein waar ík in zit, beweer ik, heeft nooit vertraging. Zij heeft altijd vertraging, zegt ze, maar nu dus niet. Komt door mij. De trein raast voort.

In Assen moet ik eruit - tot ziens! - en trap af trap op haast ik mij naar de standplaats van de treintaxi, waar één man staat te wachten - een goed teken. Een half uur later staat hij er nog, ik trouwens ook en met ons nog tien anderen. Er vallen schampere opmerkingen.

Een kwartier later krijgen we een stortbui over ons heen. We stuiven uit elkaar en als het weer droog is, zijn we nog maar met z'n vieren. Drie oude dametjes met een onuitstaanbaar goed humeur, en ik.

Eindelijk is daar de taxi. Ik word nog een half uur lang bij lage zonnestand kriskras door het kletsnatte, goudglanzende Drenthe vervoerd en dan ben ik thuis.