Distelen en doornen

In Nederland wonen de meeste mensen op het zand, afgegraven veen, klei, of vervuild havenslib. Zelf smaak ik het genoegen te mogen wonen op oude zeeklei. Niettemin ligt het liefelijke dorpje waarin ik woon hoog op een oeroude strandwal en de onderlaag daarvan bestaat uit gemakkelijk te bewerken, vruchtbare geestgrond. Verlaat je echter het dorp aan de westzijde, dan daal je meters af, de polder in.

In een ver verleden hebben zijarmen van de Rijn hier, bij hoog water, tussen de jonge duinen en de oude strandwal, voor overstromingen gezorgd. Trok het water zich terug, dan bleef bezinksel achter. Ook kon het gebeuren dat de zee via de rivierarmen binnendrong en het gebied tussen oude en jonge duinen overstroomde. Trok de zee zich terug, dan bleef eveneens bezinksel achter. Dat bezinksel, hier ter plekke wellicht vaker afkomstig van de zee dan van een zijarm van de Rijn, en bestaande uit zeer fijne deeltjes, klonk in tot zee- en rivierklei.

Het valt niet mee om op de klei te wonen. De grond is altijd een paar graden kouder dan op het zand. Je kunt dat hier in het dorp verbluffend goed merken. Verlaat je bij het kerkhof de strandwal en daal je af de polder in dan grijpt de kilte je bij de keel. En niet alleen zijn lucht en aarde kouder, maar het duurt ook langer voor zij opgewarmd zijn. Als ze op de oude geestgrond van de strandwal al volop boontjes kunnen leggen, moet ik nog minstens twee à drie weken wachten.

Een zandlaag is poreus. Het regenwater zakt er snel doorheen. Klei houdt het water goed vast, zo goed zelfs dat je in een natte zomer steevast loopt te soppen. Op de klei is een droge zomer beter, maar ten eerste heb je in Nederland zelden een droge zomer (begin juni start vrijwel altijd de Westeuropese moesson), en ten tweede moet de zomer ook weer niet al te warm en droog zijn, want dan wordt de klei bikkelhard en gaat ze scheuren. Behalve een taaie grassoort, Elytrigia répens, oftewel het beruchte kweek, wil er dan werkelijk niets meer groeien.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat de boeren, zowel ten zuidoosten als ten noordwesten van de plek waar ik woon, de grond, zoals dat heet, gescheurd hebben. Onder de klei bevindt zich een laag veen, en daaronder een laag zand. Ze hebben enkele jaren geleden, via een vrij ingewikkeld procédé, waarbij baggermolens op het land verschenen, die klei onder het veen gewerkt en het zand naar boven gehaald. Op dat zand telen zij met luidruchtige sproei-installaties bollen.

Onze hectare zouden wij alleen kunnen scheuren als we eerst het huis en alle bomen eromheen zouden verwijderen. Uiteraard is dat ondenkbaar, dus blijven we maar voortploeteren op de oude zeeklei. Jaar in, jaar uit voeren we een verbitterde, ongelijke strijd met de zegevierende vlier, de onstuitbare braam, de sluwe haagwinde, de alomtegenwoordige brandnetel, de onuitroeibare kweek. Genesis 3 vers 18!

Kijk je uit het raam dan zie je hoe de vlieren zich uit de aarde wringen, terwijl ze hees en hortend zingen, zoals Vasalis dichtte. En in het voetspoor van de uitbundige vlier zingen kastanjes en eikjes zachtjes mee, en ontwaar je overal opslag van esdoorns. De rode meidoorn voelt zich thuis op de klei en staat zowat de hele maand juni weelderig in bloei. Ook de sleedoorn, die in het vroege voorjaar, nog voor zijn tere, groene blaadjes verschenen zijn, al schitterend bloeit, bemint duidelijk de klei. Niettemin verschijnen ook zijn ranke bloemetjes pas tegen de tijd dat ze op het zand al zijn uitgebloeid.

Het is, al troosten de mei- en de sleedoorn, niet verwonderlijk dat op de klei altoos een zwaarmoedig, kromgebogen geslacht leeft. Met spit in de rug vanwege het spitten dat reeds voor de kerst zijn beslag moet hebben gekregen zodat de vette, zware kluiten na de jaarwisseling kapot kunnen vriezen. Op de Hollandse klei wonen de ultra-orthodoxen, de bevindelijken, de zwarte kousen griffo's, de SGP-ers. En ik, ook zo'n bevindelijk type (maar dan met een minteken ervoor), woon dus precies waar ik thuishoor. Vanaf de zware zeeklei hoop ik u op deze plaats maandelijks zwartgallig te berichten over dit kommervolle bestaan op weliswaar vruchtbare, maar helaas reuze moeilijk te bewerken grond.