Branche- bescherming

De aanleiding weet ik niet meer, maar jaren geleden keek de voetballer Guus Haak mij verontwaardigd aan en riep: “Als we spelen denken we niet aan geld.” “Nee Guus”, kwam mijn return, “maar na afloop des te meer.” Ook dat ontkende hij vurig.

Vorige week hoorde ik een tv-commentatrice, die zelf in haar tijd goed heeft getennist, opmerken dat “geld geen rol speelt; daar gaat het niet om”. Een typisch geval van branchebescherming, zowel van Haak als van Marcella Mesker. Nu is het nobel om je eigen nest niet te willen bevuilen en een leugentje om bestwil is een minder erge onwaarheid, maar een leugentje blijft het. De rol van het geld in de topsport is allang niet meer weg te denken, of we het leuk vinden of niet. Dollars zijn gelukkig nog niet het enige waar het om gaat, maar wel heel belangrijk. In de jaren vijftig werden bijna alle dames-enkelspelen in het professionele tennis gewonnen door de Amerikaanse Pauline Betz, die in een groep van manager Jack Kramer door de Verenigde Staten trok. Op een dag toen Pauline Betz weer met vlag en wimpel had gewonnen, ging Kramer eens met haar praten. “Je wint te veel en te makkelijk”, mopperde Kramer. “Het wordt tijd dat je een paar keer verliest. Zie je de gaten op de tribunes niet?” Daarop begon Betz bitter te wenen en riep uit dat ze het vertikte om opzettelijk te verliezen. “Ik heb ook mijn eergevoel.” Dat bezat Kramer eveneens, maar hij liep de financiële risico's en verwees zijn eergevoel daarom maar even naar de tweede rang.

Frew McMillan, de sterke Zuid-Afrikaanse speler uit de tijd van Tom Okker, heeft voor de toenmalige organisatie van de Amerikaanse miljonair Lamar Hunt een serie toernooien gespeeld, waarvan diverse samen met Okker. McMillan was vooral een bekwaam dubbelaar. Hij moest dan wachten tot Okker zijn enkelspel gespeeld had. Dat duurde soms vrij lang, want de heren werden per gewonnen set betaald, zodat Okker er belang bij had dat de partijen over drie sets gingen. Soms was het een hele kunst om de tweede set te verliezen, als u voelt wat ik bedoel. Het publiek werd dus voor de gek gehouden, maar het banksaldo van de winnende speler niet. Wie als organisator zo'n dubieuze regeling treft, kan op z'n klompen nagaan wat er zal gebeuren. Menige topsporter heeft het Johan Cruijff in stemmen nagezegd: “Je denkt toch niet dat ik een dief van mijn eigen portemonnee wil zijn?”

Wat we naar mijn smaak niet moeten doen, is een houding aannemen of gouddorst niet bestaat. Je zult maar een jongen of meisje zijn bij wie al in een jong stadium een goede tennisaanleg is ontdekt. Toen begon dat aparte leventje van trainen, trainen en nog eens trainen. Het afreizen van een veelheid van toernooien, trainingskampen en dergelijke. De onzekerheden. Haal ik het of val ik binnenkort af? De rol van de ouders. Soms staan ze bekakt schuimbekkend langs de kant en weten het in hun desperate toestand beter dan alle trainers bij elkaar. Komt men boven het maaiveld uit, dan bestaat niet alleen de kans dat men zonder erbarmen wordt afgeschoten, maar ook is daar de mogelijkheid om het eerste goud of zilver te incasseren. De naaste familie heeft zich wellicht in schulden gestoken om de opleiding te bekostigen en hoopt nu iets van dat alles terug te zullen zien. Gouddorst of een logisch verlangen naar een beperkte Wiedergutmachung?

Laten we maar rustig toegeven dat geld een zeer grote rol speelt in de meeste topsporten. Dat ontkennen of daar niet over willen praten valt onder de rubriek struisvogelpolitiek.