Zandbanken vol eidereenden

De tocht langs de Wadden voert, ditmaal per kano, terug naar de Boschplaat op het zeevaarderseiland Terschelling. Van het Kapitein Rob-beeldje blijkt door vandalen de pijp te zijn afgetrapt.

Aan het begin van de Boschplaat staat een bord gericht tot overmoedige bezoekers: 'De weg is vol kuilen en vaak drassig. De terugweg is even lang; dus KEN UZELF'. Dit kan ik me ook aantrekken. Als ik de roodwit-gestreepte vuurtoren van Ameland duidelijk kan zien, besluit ik terug te keren. Ik klim over de stuifdijk en kom in Cupido's Polder terecht, een slikvlakte ingesloten door de stuifdijk en door nieuwe duintjes, die al weer worden weggeslagen. De hele oostpunt van Terschelling verdwijnt in hoog tempo in zee.

Twee scholeksters vallen me fel aan. Na enkele stappen sta ik zowat op hun nest. Ik voel met mijn hand, en ja hoor, ze zijn warm. Gauw maak ik me uit de voeten. In de verte maakt zich een groepje meeuwen los. Overal om me heen zie ik lege eierschalen. De scholeksters blijven in paniek om me heen cirkelen. Laten die vogels zich liever op die meeuwen richten, denk ik. Ik rol over een duin en pak de kijker om te zien hoe het met het nest staat. Maar ik zweet van inspanning en de glazen beslaan.

Dan valt mijn oog tussen het aanspoelsel op een fles. 'Rum of Mauritius' meldt het etiket. Allemachtig, die is ver van huis! Mauritius, dat is het eilandje in de Indische Oceaan, door de Hollanders ontdekt en vernoemd naar prins Maurits. Hier werd de Dodo doodgeknuppeld. Zal ik de fles meenemen? Ach, laat ik hem maar achterlaten, hij hoort hier thuis, op dit eiland van zeevaarders. Ik loop naar Oosterend terug en kom langs het beeldje van Kapitein Rob, de koene stripheld van mijn jeugd. Het is een hommage aan 'Het geheim van de Boschplaat', waarin Kapitein Rob ternauwernood de snode plannen van oud-nazi's weet te verijdelen. De pijp is van het beeldje afgetrapt.

Vier dagen later sta ik 's ochtends vroeg aan de Sloterplas kano's op een autodak te laden. De jaarlijkse oefentocht van onze vaste kanoploeg gaat altijd naar de Wadden, helaas dit keer naar de Boschplaat, waar ik net vandaan kom.

Het is prachtig weer als we uit Harlingen vertrekken. We kruisen de vaargeul waarin platbodems statig voorbij zeilen. Daarna zien we alleen nog maar de zee - de horizon is nabij gezien vanaf kniehoogte. Met de wind in de rug surfen we af en toe op de golven, maar ik voel me onbehaaglijk. Ik heb de kano van A. geleend, maar wat is die krap! Ik krijg kramp in mijn benen, ik wil eruit, maar hoe moet dat midden op zee? Ik vraag of iemand me wil steunen en ik kan even uit het mangat. Ik strek mijn benen, dat lucht op, maar we moeten nog drie uur. Daarna wordt het afzien. De opduikende zeehonden, de zandbanken vol rustende eidereenden, de woeste golven in het Amelander Gat, het is allemaal prachtig, maar ik verlang maar één ding - dat ik eruit kan. Na aankomst blijkt er een dik stuk piepschuim tegen mijn voetsteun te zitten. A.'s benen zijn kennelijk korter dan de mijne.

We zetten in een duinpan de tenten op. Rondom ons rijdt een Rangerover van de rijkspolitie. Hij is op zoek naar iets. Plotseling wordt hij ons gewaar - ai, de onvermijdelijke bekeuring. Maar de agenten willen weten of we uit Amsterdam komen. Zijn wij uit Harlingen komen kanoën? Juist, dan kunnen ze Amsterdam doorgeven dat we veilig zijn aangekomen. Het is noodweer in de Randstad, zeggen ze. Trouwens, straks hier ook op Terschelling, bereid je maar voor op windkracht twaalf. We kijken elkaar verbluft aan, het is prachtig weer. Maar de radio meldt rampspoed en we verankeren de tenten met zandharingen.

Dan komt de windhoos, een wolk vogelveertjes voor zich uit voerend. De tenten beginnen woest te rukken. Ik zie een droog duintje in enkele minuten verstuiven, weg is het. Maar na een kwartier is het over. We vragen ons af of we deze wind op zee overleefd hadden.

De volgende ochtend gaan we terug. De lucht is inktzwart en het bliksemt. Zware regen slaat de golven vlak. Daarna blijft het motregenen. Het wordt een lange, saaie tocht langs de Friese kust. Na dit kano-intermezzo wil ik verder langs de Wadden, naar Schiermonnikoog.