Twee werelden lopen in elkaar over

Nieuw Wereldtijdschrift nr, 3 1997. 80 blz. Prijs ƒ 13,50

Plotseling stond-ie daar, vorige week tijdens de opening van de Biennale van Venetie: een enorme stier. Zomaar in een weitje, aan de rand van de Giardini de Castello, kauwend op een grasspriet, onverstoorbaar voor zich uitstarend, terwijl om hem heen de pleuris uitbrak. Van allerlei kanten kwamen mannen in strakke pakken toegesneld. Twee probeerden er de stier van zijn plaats te sjorren, wat niet lukte. Nog meer beambten kwamen erbij, minstens vijf politieagenten, de begeleider, een kleine onbestemde man, moest zijn paspoort inleveren en dreigde zelfs even te worden ingerekend. Het tafereel trok veel bekijks, vooral omdat geen van de toeschouwers enig idee had wat de stier daar deed: in deze omgeving, waar kunst al dagenlang de norm was, was het beest zo'n nadrukkelijk alledaags dat hij vanzelf opviel.

De nieuwste aflevering van het Nieuw Wereldtijdschrift opent met een essay waarin de Amerikaanse schrijver E.L. Doctorow het verschil tussen feit en fictie onderzoekt. Doctorows conclusie (dat ieder verhaal fictie is omdat er altijd geselecteerd en verdicht moet worden), is na een zestal dichtbedrukte pagina niet erg opzienbarend. Dat het toch een interessant stuk is komt vooral door Doctorows voorbeelden. De schrijver gaat er vanuit dat er twee werelden zijn: die van het feitelijke krantenbericht en die van de fictie, maar dat het ideaal is als die in elkaar overlopen. Zo vertelt hij uitgebreid over de achtergrond van Robinson Crusoe: een door Daniel Dafoe verzonnen verhaal, dat bij verschijning in 1719 mede zo aansloeg omdat iedereen in Engeland het verhaal van de 'echte' Robinson kende. Die heette Alexander Selkirk en was een zeeman die na een ruzie met zijn kapitein op een van de Juan Fernandez-eilanden, voor de kust van Chili, was afgezet. Bij terugkeer schreef hij een succesvolle autobiografie, maar ondertussen bleef Selkirk zo in de war dat hij het liefst in een zelfgegraven hol in de tuin woonde. In Doctorows betoog is Robinson Crusoe cruciaal omdat de roman volgens hem aantoonde dat kunst kan integreren met het dagelijks leven: in het Engeland van de achttiende eeuw vloeiden Selkirk en Crusoe in elkaar over. Door het bestaan van Selkirk werd het verhaal van Crusoe aannemelijk voor de lezer en daardoor extra populair. Doctorow heeft duidelijk heimwee naar die tijd: de schrijvers van tegenwoordig, zeker die in het Westen, zijn geïsoleerd wereld van de feiten, vindt hij. Ze zijn teruggedrongen in het reservaat van de verbeelding en worden nauwelijks nog serieus genomen.

Hoe twijfelachtig Docotrows conclusie ook mag zijn: wie zijn essay heeft gelezen, gaat de rest van dit NWT bijna automatisch door zijn ogen lezen, op zoek naar het schemergebied tussen feit en fictie. Dat gaat nog het beste in het stuk (essay?, verhaal?) van Kristien Hemmerechts, 'Anna, Esther, Suzanne en de andere'. Hierin merkt Hemmerechts, naar aanleiding van het verzoek om een lezing te houden over het boekenweekthema 'Mijn God', dat haar werk tot haar eigen verbazing bol staat met bijbelse verwijzingen. Het is een mooi stuk, vol anecdotes over goede en kwade nonnen, maar na Doctorow blijft de vraag knagen wat ze ervan meent: zou ze dat nu echt nooit hebben gemerkt?

Het essay 'Aanstoot' van J.M. Coetzee gaat over een uitvloeisel van de botsing tussen feit en fictie: censuur. Coetzee vertelt dat er in de tijd van de Sovjet-Unie 70.000 bureaucraten werkzaam waren om het werk van 7.000 schrijvers te controleren. Hij schrijft vermakelijk over zulke functionarissen, die door de staat verordonneerde feiten toepast op verhalen die zich juist aan die feiten willen onttrekken. Een censor probeert fictie en feiten over elkaar heen te leggen. Natuurlijk werkt dat niet: als ze, zoals Doctorow beschreef, niet voldoende met elkaar worden vermengd, draaien ze elkaar de nek om.

En zo kom ik nog even op die Biennale-stier. Nadat allerlei mannen, tot verbazing van het publiek, een minuut of tien tegen het beest hadden staan duwen, begon de eigenaar, een Belg, zich nader te verklaren. De stier was genetisch gemanipuleerd, vertelde hij, en hij had hem naar deze tentoonstelling getransporteerd om te laten zien dat 'het einde der tijden nabij was' en te tonen dat werkelijkheidsmanipulatie niet meer het exclusieve terrein van de kunsten was - de stier was een soort performance. Bijna alle toeschouwers die dit hoorden en die minutenlang naar de stier hadden staan staren wierpen daarop nog een paar blikken op het beest (kon je dat zien, die manipulatie?) en maakten zich vervolgens uit de voeten. De feiten van de man had alles verpest: van een intrigerende werkelijkheid, zomaar uit het niets, was de stier gewoon een slecht kunstwerk geworden.