Subsidies en soberheid op de kloosterboerderij

De Limburgse abdij Lilbosch is de laatste kloosterboerderij in Nederland die nog door monniken zelf in bedrijf wordt gehouden. Extensieve landbouw als voorbeeld voor moderne boeren.

ECHT, 23 JUNI. Broeder Malachias loopt door de licht glooiende velden rond het klooster. Malachias heeft de leiding over de boerderij van hettrappistenklooster Lilbosch bij het Limburgse Echt. Hij vertelt over de schade die wilde zwijnen veroorzaken. “Ze kunnen een akker aardig omploegen.” Toch bestrijdt hij de dieren niet. “Alsof wij mensen het recht hebben om te bepalen dat die dieren hier niet mogen leven...”

Boven de akkers met koren en suikerbieten drijven donkere wolken. Malachias (40) heeft voor de zekerheid een grijze parka aangetrokken. Daaronder draagt hij net als de andere monniken een witte pij. In de verte, aan het einde van het zandweggetje, liggen de gebouwen van het klooster.

De abdij is de laatste Nederlandse kloosterboerderij die nog volledig door monniken zelf draaiend wordt gehouden. “Handarbeid en landbouw hebben binnen onze orde altijd een vaste plaats gehad. Wij willen sober en strikt leven, gebonden aan de aarde en zo veel mogelijk zelfvoorzienend. We ontmoeten God in de schepping, bij het werk.” De abdij bestaat uit een klooster, een boerenhoeve met twee binnenhoven, een gastengebouw, een kapel en 120 hectare land.

Broeder Gijsbertus zorgt voor de kippen, geiten en ganzen, Willibrordus heeft de scharrelvarkens onder zijn hoede, en twee anderen verzorgen de boomgaard; alle achttien monniken hebben hun eigen taak. De jongste, broeder Robertus (28), werkt in de moestuin - die binnen de kloostermuren ligt - en zorgt voor de Galloway-runderen. De woest uitziende, langharige runderen lopen het hele jaar buiten en hebben weinig aandacht nodig, maar Robertus maakt de dagelijkse wandeling naar de grazende dieren graag. Hij is op zijn achttiende ingetreden. “Ik was eigenlijk te jong. Het leven binnen de muren was de eerste jaren erg beklemmend. Nooit meer naar buiten, dat is voor een jongere niet makkelijk.” Inmiddels gaat het wel, verzekert hij. “Ik zoek steun in het gebed en ik werk op het land.” Voor het zware mechanische werk, zoals het ploegen, heeft het klooster twee knechten in dienst.

Alle dieren op de kloosterboerderij 'scharrelen' en op de akkers worden weinig bestrijdingsmiddelen gebruikt. Malachias: “De gangbare, intensieve landbouw is niet duurzaam en heeft daarom geen toekomst.” Hij pleit voor een meer extensieve, milieuvriendelijke landbouw. “Een boerenbedrijf mag niet puur een kwestie van economie zijn. Geen enkele onderneming, trouwens.” Maar de mens moet zich volgens de kloosterlingen ook niet terugtrekken uit de natuur om die weer haar gang te laten gaan, zoals hier en daar gebeurt. Malachias: “De mens is een integraal onderdeel van de schepping en is geroepen er iets mee te doen.”

De abdij sloot de afgelopen jaren 'beheersovereenkomsten' met de overheid. In ruil voor subsidie (“enkele tienduizenden guldens”), laat het klooster de korenvelden geregeld braak liggen en worden geen bestrijdingsmiddelen gebruikt. “We doen het eigenlijk niet zo heel anders dan vroeger, maar nu krijgen we er geld voor”, zegt Malachias lachend. Op de akkers met suikerbieten gebruiken de monniken wèl bestrijdingsmiddelen. “Gif is niet per definitie slecht. Je moet er alleen matig gebruik van maken en je moet de gevolgen kunnen overzien.”

De overheid heeft het gebied rond het klooster enkele jaren geleden uitgeroepen tot Waardevol Cultuurlandschap (WCL). Met de subsidies die daardoor verkregen werden, heeft de abdij onder meer een zoheten helofyten-systeem aangelegd, een natuurlijke manier om afvalwater te zuiveren via een lange sloot met riet en andere waterplanten.

De combinatie van beheersovereenkomsten, subsidies en monastieke soberheid levert een goede biotoop op voor zeldzame libellen, sprinkhanen en andere insecten, zo blijkt uit recente inventarisaties van flora en fauna. Ook hamsters - door boeren vroeger 'korenwolven' genoemd - blijken het onbespoten koren te waarderen. Maar Malachias voelt geen aandrang om de knaagdieren te bestrijden. “De bonte verscheidenheid van de schepping is een waardevol goed.”

De abdij geeft tegenwoordig rondleidingen aan ambtenaren en boeren, die zelf willen zien hoe 'ouderwetse', extensieve landbouw ook al weer werkt. Malachias trekt zijn pij een beetje op om over een plas te stappen. Hij glimlacht. “Wij zijn niet zo veel veranderd. De mensen zijn alleen anders naar ons gaan kijken. Van een achtergebleven bedrijf zijn we een voortrekker geworden.”