Prijs de pluriformiteit

WAT IS DE PRIJS van de pluriformiteit die de grondslag vormt van het publieke omroepbestel? Deze vraag is inzet van de voorstellen van staatssecretaris Nuis (Media) voor een nieuwe organisatiestructuur van de omroep waarover de Tweede Kamer deze week verder debatteert. Dit plan voorziet in een betere coördinatie van de verschillende omroepverenigingen die historisch gezien de dragers van de verscheidenheid zijn, maar tegenwoordig vooral met zichzelf bezig lijken te zijn.

De noodzaak van een ingrijpende herstructurering staat niet ter discussie. Pluriformiteit is niet langer meer het exclusieve domein van de publieke omroep nu ook de commerciële omroep officieel is toegelaten tot het frequentiespectrum. Nog afgezien van de nieuwe media.

Politiek spitst de vraag van de billijke prijs zich vooral toe op de contributie van de omroepverenigingen. Nuis wil het traditionele omroeptientje verhogen tot een 'omroepgeeltje'. Maar ook in de nadagen van het oude bestel blijft de directe lijn tussen politieke partijen en zendgemachtigden zichtbaar - het nakomertje van de elders achterhaalde verzuiling. Zelfs een bescheiden prijsverhoging is in de Tweede Kamer gestuit op naar het zich laat aanzien onoverkomelijke bezwaren.

TOCH HEEFT NUIS een sterk argument. De verhoging van de contributie valt niet los te zien van de ontkoppeling van lidmaatschap en abonnement op het omroepblad. De traditionele koppeling is een belangrijke bron van de verloedering van het publieke bestel. Een inhoudelijke keuze wordt immers verwaterd door allerlei oneigenlijke lokkertjes.

De voorgestelde verhoging van tien tot vijfentwintig gulden onderstreept op gepaste wijze het belang van een bewuste keuze door de begunstigers van de omroepverenigingen. Dit nog afgezien van de oude stelregel dat de omroepverenigingen verplicht zijn extra inkomsten ten goede van de programma's te laten komen. Zij hebben hun positie geheel en al te danken aan het Bestel, dus is het alleen maar redelijk dat zij bijspringen nu de spoeling wat dunner wordt.

Waarover zouden de omroepen klagen? Nuis heeft het risico van een ineenstorting van het ledenbestand - en dus zendtijdverlies en verlies van financiële middelen - onderkend. Dat is juist een reden de maatregel in te voeren nu de verleende concessies veilig zijn tot het jaar 2000.

HET BEZWAAR IS veeleer dat de strijd om het omroepgeeltje de afzonderlijke omroepverenigingen prikkelt hun eigenheid te accentueren terwijl de plannen van Nuis nu net beogen de overkoepelende net-identiteit te versterken. Dit argument zou een doorslaggevend bezwaar kunnen opleveren ware het niet dat Nuis ook in de toekomstige inrichting van het bestel de omroepverenigingen “een belangrijke positie” blijft toedenken. Daardoor blijft het van belang dat eindelijk blijkt hoe groot het draagvlak van de omroepverenigingen werkelijk is.

Dat de omroep maar moeilijk afscheid kan nemen van het achterhaalde 'omroepbladenbestel' blijkt uit de wijze waarop hij de beschikbaarheid van programmagegevens saboteert - er is geen ander woord voor. Het monopoliseren van de gegevens om concurrerende omroepgidsen te verhinderen, heeft niets met de publieke omroeptaak te maken. Terecht vindt Nuis dat aan deze kwalijke kunstgreep een eind moet komen. Maar de NOS wil de gegevens hoogstens per genre verkopen zodat alleen categorale concurrentie mogelijk wordt: afzonderlijke gidsen voor amusement, sport of speelfilm.

DE OMROEP heeft geen boodschap aan het vrije aanbod van uitgevers. Ergerlijk is vooral de miskenning van de wensen van de mediaconsument die uit de aanmatigende opstelling van de NOS spreekt. De omroepbijdrage is op de keper beschouwd al een verplicht abonnement. Over een publiek bestel gesproken: die programmagegevens zijn van ons allemaal.