Poging tot reanimatie van de 'geest van Rio'

Vijf jaar geleden had in Rio de Janeiro de wereldconferentie over het milieuvraagstuk plaats. Deze week worden de vorderingen van het 'Rio-proces' beoordeeld. Zeker is al dat veel toezeggingen van toen zijn niet nagekomen.

NEW YORK, 23 JUNI. In een sfeer die het midden hield tussen euforie en gêne eindigde vijf jaar geleden in Rio de Janeiro de wereldmilieuconferentie die als Earth Summit is bekend geworden. Een massaal bezochte conferentie die de weg moest wijzen naar een duurzame economie, waar ook ter wereld. Een economie die niet langer ten koste ging van het milieu en die geen wissel trok op de kansen en mogelijkheden van komende generaties. Niet eerder was op zo grote schaal over zo'n goed doel vergaderd.

Deze week zien veel van de betrokkenen van destijds elkaar opnieuw op een speciale vergadering van de Verenigde Naties in New York. Op een bijeenkomst die deze maal 'Earth Summit + 5' heet zal in de eerste plaats worden geëvalueerd welke vorderingen inmiddels zijn gemaakt. Omdat daarover op voorhand al weinig optimisme bestaat zal ook geprobeerd worden de 'geest van Rio' in een inspirerende politieke verklaring opnieuw tot leven te wekken en zullen ook geheel nieuwe initiatieven worden ontplooid. Zo zal Nederland, als voorzitter van de Europese Unie, nieuwe stappen bepleiten op het gebied van eco-efficiëntie, zoetwaterbeheer en energiegebruik.

Maar niet alle deelnemers aan Rio'92 komen opdagen; sommigen houden het wel voor gezien, en of de politieke verklaring die de bedoelde impuls moet geven voldoende effect sorteert is ook nog de vraag. Voor de euforie van 1992 is veel cynisme in de plaats gekomen. Want nu al staat vast dat veel toezeggingen niet zijn nagekomen.

Een jaar of zeven geleden, in de lange aanloop naar 'Rio', liet menigeen zich nog meeslepen door het onbekende en massale karakter van de te organiseren conferentie die officieel de Conferentie van de Verenigde Naties voor Milieu en Ontwikkeling (UNCED) werd genoemd en door velen als een soort Marshall-plan voor het milieu werd gezien. De mondiale erkenning van de directe relatie tussen economie en milieu leek op zichzelf al een doorbraak. De rijke landen, waar de bezorgdheid over klimaatverandering, ozonaantasting en ontbossing omstreeks 1990 een hoogtepunt bereikte, hoopten in gemeenschappelijk overleg tot adequate maatregelen te komen. De ontwikkelingslanden zagen in de plotselinge bezorgdheid van de industrielanden vooral een onverwachte troef in de onderhandelingen over uitbreiding van ontwikkelingshulp, het wegnemen van handelsbelemmeringen en de oplossing van het schuldenprobleem.

Het kader van de wereld-milieuconferentie was zeer neutraal geformuleerd, maar tijdens de moeizame onderhandelingen in de vier voorbereidende conferenties (tussen 1990 en 1992) groeide een pijnlijke tegenstelling tussen de rijke landen en de ontwikkelingslanden. Aan de basis van de confrontatie tussen Noord en Zuid die daarvan het gevolg was, lagen volstrekt andere analyses van de oorzaak van de milieuproblemen en verschillen in de perceptie van de ernst ervan. Afgezien van de 'kleine eilandstaten' (die de stijgende zeespiegel vrezen) en de Sahellanden waren zorgen over klimaatverandering, ozonaantasting en verlies van biodiversiteit voor de ontwikkelingslanden abstracties die vèr stonden van hun veel tastbaarder milieuproblemen zoals de luchtvervuiling in de steden, de haperende drinkwatervoorziening, de erosie en de bodemverzilting.

In de ogen van de ontwikkelingslanden waren de milieuproblemen die in Rio ter sprake zouden komen vooral toe te schrijven aan overconsumptie en verspilling in de geïndustrialiseerde landen. Zij eisten wat dat betreft matiging in die landen om daamee extra 'milieuruimte' voor de arme landen te scheppen. Of grover gezegd: ze eisten het recht op om terwille van de zo felbegeerde economische groei het milieu net zo aan te tasten als de industrielanden dat eerder hadden gedaan, compleet met de inzet van pesticiden, gebruik van cfk's en uitputting van natuurlijke hulpbronnen. De Westerse aandrang om de uitverkoop van hun bossen te beëindigen zagen ze zozeer als een aantasting van hun soevereiniteit dat ze, overigens in harmonie met de Verenigde Staten, een bosconventie blokkeerden. Deze week zal opnieuw een poging worden gedaan tot zo'n conventie te komen.

De rijke landen, die hun consumptiepatroon en energieverbruik met weinig vreugde tot onderwerp van debat zagen gebracht, vroegen op hun beurt aandacht voor de ongebreidelde bevolkingsaanwas in de ontwikkelingslanden.

In deze sfeer van confrontatie formuleerden de ontwikkelingslanden, in dit kader optredend als de zogeheten Groep van 77 (G-77), steeds explicietere eisen die zij aan de milieuconferentie wilden stellen. Men verlangde, behalve 'milieu ruimte', een soepele overdracht van relevante milieutechnologie en de toezegging dat industrielanden niet onder het mom van milieuzorg allerlei importbeperkingen zouden afkondigen. Uiteindelijk hebben de ontwikkelingslanden de 'milieu-troef' niet echt hard durven of willen uitspelen. Veel van hun expliciete wensen zijn niet of slechts ten dele gehonoreerd. De G-77 stemde in met een uitputtend en gedetailleerd actieplan voor de overgang naar een duurzame economie (Agenda 21) waarin veel van hun bezwaren niet zijn terug te vinden.

Agenda 21 wordt als het belangrijkste, want meest concrete stuk van 'Rio' gezien. De zogenoemde Rio-verklaring is nogal principieel van aard en de verdragen over klimaat en biodiversiteit, vaak als vrucht van Rio gezien, waren al eerder opgesteld en lagen in Rio de Janeiro alleen ter ondertekening voor. Toch zal naar verwachting deze week opnieuw zwaar het accent komen te liggen op concrete toezeggingen in het kader van het klimaatverdrag, vooral van de zijde van de VS.

Becijferd is dat uitvoering van Agenda 21 jaarlijks in totaal zo'n 600 miljard dollar kost. Het merendeel moet door de betrokken landen zelf worden opgebracht, maar voor de aanpak van grensoverschrijdende milieuproblemen (klimaat, ozon, biodiversiteit en watervervuiling) kan gedeeltelijk een beroep worden gedaan op een speciaal fonds, de Global Environment Facility (GEF), dat beheerd wordt door de Wereldbank en twee andere VN-organisaties. Tegen deze beheersstructuur is aanvankelijk bezwaar gemaakt, later concentreerden de inspanningen zich meer op pogingen om van de industrielanden de toezegging te krijgen dat zij voortaan 0,7 procent van hun BNP zouden uittrekken voor officiële ontwikkelingshulp. Voor een deel is die toezegging er - in woord - ook inderdaad gekomen, in werkelijkheid is de ontwikkelingssteun na 'Rio' belangrijk afgenomen. Een bedrag van drie miljard gulden dat de EU tijdens de wereldmilieuconferentie toezegde is nooit uitbetaald. “Er zijn schandalige dingen gebeurd”, zei minister Pronk vorige week op een bijeenkomst met de pers. Deze week zullen de betrokken staten in een marathon van verklaringen tekst en uitleg kunnen vragen en geven. Aan het eind zal dan een slotdocument worden aangenomen waarin beterschap wordt beloofd. En een inspirerende politieke verklaring moet de rest doen.