Paul Scheffer

Oost-Berlijn, 18 april 1986. Tweeduizend pennen, schrijven op tweeduizend blocnotes, tweeduizend maal: “Wohin man in unserem Lande schaut, überall ist die Jugend mit ihren Initiativen zur Stärkung des Sozialismus gegenwärtig”. Dat de vijf uur durende toespraak van Erich Honecker morgen integraal in de partijkrant Neues Deutschland zal staan deert de afgevaardigden op het elfde congres van de SED niet.

Niemand kijkt op, lijkt af te dwalen of ergens aan te denken. Allen zijn toegewijd aan de oude man, die statistiek op statistiek stapelt. Naast hen staat de conferentietas van grijs leer, waarin ze een etui met ballpoint en lekkende vulpen hebben aangetroffen, benevens het elfde deel van de complete werken van de partijleider.

De ontvangst en bewaking tijdens het congres zijn grotesk. Niet minder dan vier begeleiders, twee politieauto's en een limousine zijn gemobiliseerd om de 'waarnemer' uit Nederland te omgeven. Alles voor mijn eigen veiligheid, dat spreekt. Een van de begeleiders geeft toe dat zijn werkgever de Staatssicherheitsdienst is, waarna hij op een nogal kleffe manier van wal steekt over de Beatles. Het vergt enige tegenwoordigheid van geest om te blijven beseffen dat je verkeert met mensen die er niet tegenop zien om morgen hun buurman of achterneef aan te geven.

Al je innerlijke reserves moeten wakker blijven. Dat kan moeilijk worden gezegd van de socialistische senator uit Vlaanderen, die in het regeringshotel Johanneshof, waar we zijn ingekwartierd, tot half zes in de ochtend met walmende stem antifascistische liederen zingt, terwijl de drank vrijelijk wordt geserveerd. Discrete charmes van de dictatuur, die worden verstoord als zijn vrouw in nachtpon hem van bovenaan de trap naar bed sommeert.

Deze herinneringen kwamen boven bij lezing van de nieuwe studie Het Stasi-dossier van de Britse historicus Timothy Garton Ash, die naam heeft gemaakt met zijn reportages uit Midden-Europa in de jaren tachtig. Ten behoeve van onderzoek woonde hij begin jaren tachtig enige tijd in Oost-Berlijn en vanaf dat moment kreeg de de binnenlandse veiligheidsdienst (Stasi) interesse in hem. Na 1989 komt Garton Ash achter het bestaan van een dossier over hem. HIj dient een verzoek in om het te mogen lezen, bij de zogenaamde Gauck-Behörde, de instantie die over de Stasi-archieven waakt.

Was de schaal van binnenlandse spionnage enorm, de inspanning van het nieuwe Duitsland om deze geschiedenis boven tafel te krijgen is ook zonder precedent. Er werken 3.000 mensen in vaste dienst die de 180 kilometer archief voor gebruik gereed maken. Dan hebben we het nog niet over de 7.000 zakken met door de Stasi versnipperde archieven, die ooit stukje voor stukje in elkaar moeten worden gelegd. Tot eind juni 1996 waren één op de tien Oostduitsers onderzocht op de vraag of ze voor de Stasi hebben gewerkt. Naar schatting 1 op de 50 volwassen burgers van de DDR was op enigerlei wijze betrokken bij de veiligheidsdienst.

Het Stasi-dossier brengt de benepen, muffige en paranoïde samenleving van de DDR met pijnlijke details weer tot leven. Tegen het verwijt van narcisme weet hij aannemelijk te maken dat juist bestudering van het eigen dossier toegang verschaft tot moeilijke historische en morele vragen. Hoe waarheidsgetrouw zijn de uitvoerige dossiers? Hoe betrouwbaar is de eigen herinnering? Welke zijn de motieven van informanten geweest?

Door een vergelijking van zijn dossier met eigen dagboekaantekeningen en zijn geheugen probeert Garton Ash te onderzoeken hoe nauwkeurig het dossier eigenlijk is. Veel details blijken niet te kloppen. Zo wordt zijn naam verhaspeld tot Gartow Ash, is hij geboren in Winbredow in plaats van Wimbledon en heet The Spectator waarvoor hij schrijft, opeens, veel conspiratiever, Spekta. Ook krijgt hij de indruk dat ze niet erg effectief zijn geweest in hun naspeuringen: het boek dat hij over de DDR schrijft, ontdekken ze pas als het in een serie in Der Spiegel wordt afgedrukt. Te laat dus.

Tegelijk schrikt hij van het dossier, omdat er ontmoetingen in staan beschreven met bijvoorbeeld een vriendin, die hij allang was vergeten. “Wat me mateloos irriteert, is te ontdekken hoeveel ik zelf van mijn leven vergeten ben”. Lichte huiver overvalt hem als hij leest over een ontmoeting met een echtpaar dat hijzelf als zeer prettig heeft ervaren: “'s Avonds negeerde G. discrete aanwijzingen dat het gezin H. het gesprek als beëindigd beschouwde en hij kreeg hen zo ver dat het gezin, als toppunt van gastvrijheid, hem aanbood die nacht te blijven”. Het moet een vervreemdende ervaring zijn om zoiets te lezen, maar ook: gefundenes Fressen voor een historicus.

Na lezing van het dossier verwerpt Garton Ash het argument van degenen die de archieven voorgoed willen sluiten omdat ze niets dan onwaarheden of halve waarheden zouden bevatten, die enkel schade kunnen berokkenen en het gezwel van de Stasi in leven houden. Hij beseft dat het publiceren van namen iemand levenslang aan de schandpaal kan nagelen en toch gelooft hij dat de opening van de archieven een goede zaak is. Zijn slotsom: “'Nu weet ik het tenminste', is het vaak gehoorde refrein. Dat is ook mijn indruk: er is een loutering en een betere basis om verder te gaan”.

De afdaling in de archieven van goed en kwaad laat vooral grijstinten zien. Hoe dichter de motieven worden genaderd van de informanten, hoe meer je denkt 'menselijk, al te menselijk'. Want wat blijkt: de één geeft informatie omdat hij gechanteerd wordt als buitenlander die in de DDR is getrouwd en moet vrezen vrouw en kinderen nooit meer terug te zien. De ander is vooral geïnteresseerd in de mogelijkheid van buitenlandse reizen die de Stasi aanbiedt in ruil voor informatie.

Garton Ash schrijft: “Wat je vindt is niet zozeer kwaadaardigheid als wel menselijke zwakheid, een dikke bloemlezing van menselijke zwakheid. En als je met de betrokkenen praat, treft je niet zozeer opzettelijke oneerlijkheid aan als wel ons bijna onbeperkte vermogen tot zelfbedrog”. Vertwijfeld roept hij uit: “Had ik bij dit onderzoek maar één enkele, echt slechte persoon gevonden”. Helaas toont ook hier het kwaad zich vooral in zijn banale vorm.

Leidt deze reis in de “kartonnen tijdmachine” zoals Garton Ash de Stasi-archieven noemt, nu tot een mild oordeel? Hij legt alle nadruk op de omstandigheden, bijvoorbeeld de afwezige vaders bij velen die in het naoorlogse Duitsland opgroeiden en voor wie de Stasi een soort substituut-vader was. Wie kan trouwens met enige zekerheid iets zeggen over zijn eigen gedrag in dictatoriale omstandigheden? Hoe zouden wij reageren op chantage? Tussen de uitersten van overtuigde collaboratie en uitgesproken verzet bevond zich het leven van de overgrote meerderheid die probeerde te overleven met kleine compromissen die grote ravages konden aanrichten.

Kan en moet de roep om vergelding worden weerstaan? De Poolse dissident Adam Michnik heeft eens gezegd: “Toen ik in de gevangenis zat, had ik mijzelf gezworen dat ik nooit wraak zou nemen. Maar ik herhaalde ook voor mezelf het vers uit het gedicht van Herbert: 'Vergeef niet, want het ligt niet in je macht te vergeven namens anderen, die bij zonsopgang verraden zijn'. Ik denk dat we alleen voor onrecht dat onszelf is aangedaan absolutie kunnen geven”.

Dat is een wijze houding, maar niet de enig mogelijke. Alsof hij duidelijk wil maken hoe moeilijk de morele vraag is, heeft Michnik ook het tegengestelde gezichtspunt verdedigd. Al snel na de omwenteling kwam hij met de formule “geen amnesie, wel amnestie”. Een mooie gedachte, maar wie heeft het recht om namens de slachtoffers te zeggen: “niet vergeten, wel vergeven”, of “gedane zaken nemen geen keer”? Wie de dissidenten in de DDR heeft meegmaakt zal zo'n fijnzinnige liberale houding niet zomaar onderschrijven.

Oost-Berlijn 13 augustus 1981. Op de twintigste verjaardag van de Muur arriveer ik in Grünheide, een dorp enkele tientallen kilometers van Berlijn. Daar woont de meest prominente criticus van het DDR-regime in gedwongen ballingschap. Een bezoek aan hem wordt niet op prijs gesteld en als ik de straat inloop waar de woning moet staan, wordt dit belangstellend gevolgd door allerhande Stasi-beambten die uit het niets opduiken. De deur zwaait open, een man met een mager vogelkopje neemt me op en maant tot stilzwijgen met een gebaar richting plafond.

Pas achter in de tuin - buiten het bereik van de afluisterapparatuur - stelt hij zich voor. Robert Havemann, 71 jaar oud, in wiens leven alle verschrikkingen van het moderne Duitsland zijn samengebald. Ter dood veroordeeld onder het nazisme en later verbannen wegens zijn kritiek in het land dat het betere Duitsland denkt te zijn. Sinds hij in Grünheide woont heeft de veiligheidspolitie alle omringende villa's betrokken en een cordon sanitaire rond zijn huis gelegd. Enkel onder politie-escorte mag hij zijn huis verlaten om boodschappen te doen.

Na een inspannend gesprek van tweeënhalf uur was Havemann uitgeput. Zwijgend dronken we thee, terwijl ik het gesprek op een klein stukje papier in steekwoorden samenvatte en in mijn schoen frommelde. Hij bracht me tot aan het tuinhek, verder strekte zijn wereld niet. Wat ik toen niet wist, weet ik nu. De man die ik sprak stond al met één been in het graf. Twee maanden na mijn bezoek stierf Havemann aan kanker. Het blijft een indrukwekkende herinnering: deze fragiele, doodzieke man, die omringd door bewaking en intimidatie tot heldere oordelen in staat bleek.