LEO BOUDEWIJNS OVER Fonografie

Leo Boudewijns: Een fonografisch geheugen. Uitg. de Prom. ƒ 27,90.

“Een propagandist voor de fonografie ben ik eigenlijk altijd geweest. Toen ik als jongetje van een jaar of zeven à acht bij mijn oom op schoot naar de eerste Philips-grammofoon zat te luisteren - en ook zelf af en toe een plaat mocht opzetten - ging er een wereld van schoonheid voor me open waarvan ik tot op dat moment geen flauw vermoeden had. Fascinerend vond ik dat, en dat vind ik nog steeds. Ook naar grammofoonplatenprogramma's op de radio zat ik met rooie oortjes te luisteren. Eigenlijk wilde ik radio-omroeper worden, dat was in die tijd hèt vak. Maar voor de AVRO was mijn stem te diep, zeiden ze. Ik had meer een VARA-stem, maar de VARA had toen net Herman Emmink en Karel Prior aangenomen. Ik ben de platenindustrie dan ook binnengekomen met de gedachte: nou ja, misschien kom ik via die weg tòch nog bij de radio.”

Leo Boudewijns, voormalig functionaris van Philips' Phonographische Industrie en later langdurig directeur van de branche-vereniging voor de platenindustrie (NVPI), wijdt zich sinds hij is gepensioneerd onder meer aan het schrijven van muzikale verhalen. Sommige daarvan verschijnen in Aether, het blad van het Nederlands Omroepmuseum, en een nieuwe bundel is zojuist verschenen onder de titel Een fonografisch geheugen. Op onderhoudende toon verhaalt hij daarin over zijn vroegste muzikale ervaringen, de geschiedenis van de fonografische industrie en de vele contacten die hij in zijn loopbaan opdeed met musici, van Robert Stolz tot Joan Sutherland en van Andrés Segovia tot Elisabeth Schwarzkopf. Alles bij elkaar roept Boudewijns een beeld op van een nette bedrijfstak waarin nette mensen werkzaam waren.

“Ik ben daar nu al vijf jaar uit weg, dus ik kan niet meer goed inschatten hoe het er tegenwoordig in toegaat. Maar ik kan wel zeggen dat we in mijn Philips-tijd inderdaad een stel buitengewoon enthousiaste, begeesterde jongelui waren bij wie de artisticiteit en de muzikaliteit absoluut voorop stonden. We brachten rustig De liefde voor de drie sinaasappelen van Prokofjev uit, waarvan we er in Nederland nog geen honderd stuks kwijt konden raken.

“Wat goed was, moest uitgebracht worden - dat kon allemaal. Natuurlijk is nu óók de wereld in het algemeen iets minder net dan toen. Wij liepen in nette pakken rond, en we hadden nette dassen om. Wat voor ons in elk geval géén rol speelde, was de jacht op het grote geld waardoor later denkwijzen en figuren binnen zijn gekomen, die de industrie een kwaad imago hebben gegeven.

“Maar misschien zit het ook in de aard van het beestje: als er bij mij een onderwerp naar boven komt waarover ik eigenlijk venijnig zou moeten schrijven, dan laat ik dat meestal liggen. Niet omdat ik mezelf enige censuur zou willen opleggen, maar omdat ik denk: ach, ik heb nog maar zo weinig tijd, laat ik nou maar niet natrappen, laat ik nou maar aardig blijven.

“De opzet van de verhalen is ook niet, dat ik daarmee een objectieve geschiedenis van de fonografische industrie schrijf, maar mezelf tegenkom in mijn ervaringen met muziek en met musici. En daarvan heb ik er nog meer dan genoeg. Toen ik er in Aether mee begon, leek het me nogal vrijpostig om me vast te leggen op die regelmaat. Ik vroeg me af hoe lang ik het zou volhouden. Maar nu weet ik dat ik nog best een volgende bundel vol zou kunnen schrijven.”