Hague steunt op een Lady en een Lord

De “frisse start” van de nieuwe Britse Conservatieve leider William Hague is vooral een stevige ruk naar rechts geworden. Hem bleef weinig anders over nu de Labour-regering met het Conservatieve erfgoed op de loop is gegaan.

ROTTERDAM, 23 JUNI. Iedere keuze die William Hague, de 36-jarige opvolger van John Major als leider van de Britse Conservatieven, op dit moment maakt heeft een zware symbolische lading. Toen hij vorige week, onmiddellijk na zijn winst in de laatste verkiezingsronde, opponent Kenneth Clarke vroeg om in zijn schaduwkabinet zitting te nemen, wist iedereen zeker dat hij zich zou opwerpen als de Grote Verzoener. Hague was de man die zich tot taak stelde de hopeloos verdeelde Tories tot een eenheid te smeden.

Maar toen hij een dag later de 65-jarige Cecil Parkinson als partijvoorzitter benoemde, was er volgens iedereen duidelijk sprake van een grote ruk naar rechts. Parkinson was immers partijvoorzitter in het begin van de jaren tachtig en gold in die tijd als een fervent aanhanger van Margaret Thatcher. Hier stond de jongste Tory-leider van de afgelopen twee eeuwen, steunend op de historische peilers van Lady Thatcher en Lord Parkinson. De aangekondigde “frisse start” kreeg een merkwaardige bijklank. Hague heeft zich tegen dit verwijt verdedigd door te zeggen dat ervaring en talent voor hem belangrijker criteria zijn dan leeftijd. Maar met de ervaring blijft onherroepelijk ook de oude Conservatieve geest door de Tory-gelederen waaien.

Hague staat voor de bijna onmogelijke taak om een bij de verkiezingen van 1 mei gedecimeerde partij een nieuw gezicht te geven tegenover een mateloos populaire regeringsleider, die op de loop is gegaan met veel van het Conservatieve erfgoed. Wat dat betreft lijkt zijn positie op die van het CDA in Nederland, dat oppositie moet voeren tegen een regeringsprogramma dat de partij grotendeels zelf bedacht zou kunnen hebben.

De Conservatieven zijn vooral over Europa ernstig verdeeld, en juist daarover heeft premier Tony Blair vorige week in Amsterdam bewezen een stabiele verdediger van “Britse belangen” te zijn. De Britse grenzen blijven bewaakt, de NAVO blijft de steunpilaar van de Europese defensie ten koste van de West-Europese Unie, en de eventuele muntunie gaat voorlopig zonder de Britten van start - allemaal punten waarvoor ook Major zich in het verleden hard heeft gemaakt.

Wat kan Hague anders doen dan anti-Europeser te worden? Dat is, gelet op het schaduwkabinet dat hij heeft samengesteld dan ook precies wat hij heeft gedaan. Op de belangrijkste posten benoemde hij leden van de rechtervleugel van de partij. Vooral de keuze voor Peter Liley, een van de rechtse tegenkandidaten in de leiderschapsstrijd, als schaduwminister van Financiën en ontwikkeling van partijpolitiek is opmerkelijk. Liley was misschien iets minder apert anti-Europees dan een andere leiderschapskandidaat, John Redwood (die in het schaduwkabinet verantwoordelijk wordt voor handel en industrie), maar hij behoort zeker tot de radicaal rechtse vleugel van de partij. Dat geldt ook voor Michael Howard (Buitenlandse Zaken), voor Iain Duncan Smith (Sociale Zekerheid), een trouwe bondgenoot van Redwood, en voor Brian Mawhinney (Binnenlandse Zaken), de oud-partijvoorzitter die door velen verantwoordelijk wordt gehouden voor de strategie die leidde tot het dramatische nederlaag bij de laatste verkiezingen.

Slechts een paar gematigde Conservatieven hebben van Hague een post toegeschoven gekregen. Maar het grootste deel van de linkervleugel van de partij heeft zich voorlopig teruggetrokken op de back benches van het Lagerhuis. Van daaruit voorzien ze, natuurlijk anoniem, de eerste stappen van Hague's leiderschap van commentaar. Ze beschouwen het schaduwkabinet als “tijdelijk” en suggereren dat het Thatcherisme in zijn volle glorie is teruggekeerd.

Cecil Parkinson deed dit weekeinde zijn best om Hague een eigen gezicht te geven. Hij meende in het schaduwkabinet “alle meningen” tegen te komen en vond dat het Thatcherisme nu is vervangen door het “Hagueisme”. Maar hij had grote moeite om uit te leggen wat het verschil was tussen beide.

Hague heeft de onduidelijkheid voor een deel aan zichzelf te danken. De Conservatieven hebben nu een leider die zijn overwinning te danken heeft aan de merkwaardige tournure tijdens de campagne, toen hij van gematigd ineens fel anti-Europees werd. Zijn tegenstanders zullen hem daar als het zo uitkomt graag aan herinneren.