Waar blijft de Nederlandse Polanski?

Wie rijk wil worden, moet naar Hollywood gaan, vindt Hans Beerekamp. Maar voor een goede filmer moeten er meer mogelijkheden zijn.

Nederlandse filmproducenten en andere vertegenwoordigers van de vaderlandse filmnijverheid plegen hardnekkig vast te houden aan twee stellingen met een axiomatisch karakter. De eerste luidt: “Het grootste probleem van de Nederlandse film vormen de gebrekkige financieringsmogelijkheden”. De tweede stelling kan samengevat worden als: “Voor het maken van films van cultureel belang is het bestaan van een commercieel gezonde filmindustrie een noodzakelijke voorwaarde”. De lobby bij minister Wijers (Economische Zaken) en de staatssecretarissen Vermeend (Financiën) en Nuis (Cultuur) van de Vereniging ter Bevordering van de Nederlandse Speelfilm - een belangenclub van grote en een paar kleinere filmproducenten - is bij voorbeeld geheel op deze vooronderstellingen gebaseerd.

Maandag wordt op de door de gezamenlijke filmorganisaties georganiseerde Dag voor de Nederlandse Film met angst en beven op uitspraken van de bewindslieden gewacht. Zullen ze de lobby met succes bekronen? Het verlanglijstje, op basis van een advies van organisatieadviesbureau KPMG, is een drietrapsraket: fiscale voordelen voor grote en kleine investeerders; een soort participatiemaatschappij voor potentieel lucratieve, niet per se cultureel waardevolle films, ingesteld door Economische Zaken; en de bevordering van regelmatig te produceren goedkope speelfilms door de publieke omroepen. De voorstellen zijn alle drie gericht op de continuïteit in wat hardnekkig 'de Nederlandse filmindustrie' wordt genoemd. De rest, zo is de gedachte, zal dan vanzelf wel volgen, krachtens de Tweede Stelling van de Nederlandse Speelfilm.

Het is vervelend dat over de twee uitgangspunten van het filmbedrijfsleven niet eens meer discussie mogelijk is. Wie voorzichtig te berde brengt dat er méér problemen zijn dan geld en werkgelegenheid, kan rekenen op hoon. Wie niet snapt dat je alleen maar goede films kunt maken als er in de bedrijfstak ook goed verdiend wordt, moet wel dom of kwaadaardig zijn.

Helemaal onbegrijpelijk is die defensieve houding niet. De resultaten van de Nederlandse speelfilm zijn de laatste tien jaar zo bedroevend dat menige producent economisch met de rug tegen de muur staat. Objectief bekeken zijn de 24 miljoen gulden per jaar op de rijksbegroting voor film (waarvan ongeveer 10 miljoen bestemd is voor de subsidiëring via het Filmfonds voor lange speelfilms) een schijntje, zowel in vergelijking met de andere kunsten als met de gelden in andere Europese landen. In het op filmgebied succesvolle Denemarken bedraagt de overheidssteun aan film minstens het dubbele. Bovendien is er veel rancune onder producenten over wat, vooral in het verleden, ervaren werd als een hautaine houding van het Filmfonds bij de selectie van de projecten voor subsidiëring. Het toepassen van culturele normen op louter commerciële films (Spetters, Flodder, Filmpje!) heeft vele aanvragers diep gegriefd.

Als er simpelweg gesteld werd dat de filmbegroting van Nuis verdubbeld moest worden, zou daar weinig tegen in te brengen zijn. Er is al jaren sprake van systematisch achterstallig onderhoud, terwijl er in de rest van de wereld niet stilgezeten wordt. De audiovisuele bedrijfstak is een schone en arbeidsintensieve industrie, en in Nederland wemelt het van de hoogwaardige faciliteiten en talenten. Meer geld van de overheid voor film is een eenvoudig en rechtvaardig verlangen.

De schoen wringt pas, wanneer men het daarbij laten zou. In alle marketingbeschouwingen over het geringe succes van de Nederlandse speelfilm valt weinig te lezen over de redenen waarom de vraag zo klein is. Zou het werkelijk een kwestie zijn van gebrek aan kwantitatief en kwalitatief hoogwaardig aanbod? Of zou de kopersstaking ook veroorzaakt kunnen zijn door het slechte imago van de Nederlandse speelfilm?

Subjectieve en zeer selectieve opiniepeilingen op verjaardagen en in het café leren dat de Nederlandse film over een zeer slechte reputatie beschikt. Dat negatieve beeld is niet helemaal in overeenstemming met de feitelijke kwaliteit. Maar de beeldvorming wordt beheerst door de indruk van een groot deel van het publiek dat het door de makers van Nederlandse films niet serieus genomen wordt. De krampachtige pogingen van de producenten om elk afzonderlijk project zowel cultureel als commercieel te doen slagen, heeft vaak geleid tot halffabrikaten, die de filmliefhebbers de zaal uit hebben gejaagd en de grote massa niet weten te bereiken. De patjepeeërsuitstraling van menige producent werkt ook niet erg mee aan het uit de wereld helpen van het wijdverbreide misverstand dat een Nederlandse film voornamelijk mikt op fraai uitgelichte borstpartijen en dubbelzinnige dialogen.

Wat de Nederlandse speelfilm vooral mist is niet, zoals soms geopperd wordt, een tot de verbeelding sprekend star system, maar de opvallende aanwezigheid van een of meer herkenbare filmauteurs. In Polen had je Wajda, Polanski en Kieslowski, in Zweden Bergman en Widerberg, in Portugal De Oliveira, in Denemarken Von Trier en zelfs in België Delvaux en Akerman. De Nederlanders Haanstra, Rademakers en Verhoeven hebben nooit een vergelijkbare internationale status kunnen bereiken. Op internationale festivals wordt ook nog nauwelijks met kloppend hart uitgekeken naar de nieuwe Van Warmerdam, Gorris of Stelling. Al was er maar één trekpaard dat de Nederlandse film weer eens op de internationale agenda zou plaatsen, dat zou meer invloed hebben dan een kassucces voor de nieuwe productie van Dick Maas of Matthijs van Heyningen.

Het huidige filmklimaat in Nederland biedt wel mogelijkheden voor filmauteurs, maar om de een of andere reden slagen zij er niet in om die volledig te benutten. In het debat wordt de discussie steevast gemonopoliseerd door de producenten, die uiteraard vooral roepen dat er meer geld binnen moet komen, zowel van de subsidiënt als aan de kassa. Des te aardiger is het dat in de recente discussies over de filmfinanciering de meest creatieve bijdragen geleverd worden door twee regisseurs.

De in Engeland wonende Ate de Jong, lid van de beoordelingscommissie van het Filmfonds, opperde de invoering van het Britse 'franchise'-systeem. Dat houdt in dat een beperkt aantal franchisehouders, consortia van samenwerkende producenten, voor een meerjarige periode een vast bedrag aan subsidie krijgt om min of meer naar eigen inzicht films tot stand te brengen. Het voordeel daarvan is dat de commerciële ambities niet langer gehinderd worden door de beoordeling van afzonderlijke projecten op hun culturele betekenis.

Een andere regissuer, Gerrit van Elst, verfijnde het model gisteren in deze krant nog eens door te pleiten voor een scherp onderscheid tussen commerciële en culturele films, omdat die met geheel verschillende oogmerken tot stand komen. In feite zou dit een terugkeer betekenen naar de toestand van voor 1990, toen het Fonds voor de Nederlandse Film en het Productiefonds gedwongen werden te fuseren. Merkwaardigerwijs, het zal wel toeval zijn, is het rond diezelfde tijd misgegaan met de bezoekersaantallen voor Nederlandse films in beide categorieën.

Er valt wel wat voor te zeggen om de Muze én de Mammon niet langer in elke film te willen dienen. De instelling van een participatiemaatschappij voor zuiver commerciële films zou de aanzet kunnen leveren tot zo'n scheiding der geesten. Wel kun je je afvragen of er überhaupt nog een breed bioscooppubliek te vinden is voor Nederlandse films. De ervaring van de afgelopen jaren leert dat een volstrekt eigenzinnige, kleinschalige film als Zusje commerciëler kan zijn dan daartoe opzettelijk toegeruste projecten als De zeemeerman. In het algemeen gesproken reageert het publiek, zeker in Nederland, weinig enthousiast op filmmakers die precies menen te weten wat dat publiek wil. Des te minder lukt het, wanneer de makers eigenlijk zelf weinig ophebben met die smaak, maar alleen maar op hun hurken gaan zitten om geld te verdienen.

Wanneer de overheid haar verantwoordelijkheid neemt en besluit de filmsubsidiëring naar een internationaal aanvaardbaar niveau te tillen, dan zouden de ontvangers van die subsidie daar misschien iets tegenover moeten stellen. Het afzweren van de gedachte dat je in Nederland rijk kunt worden met het produceren van films bijvoorbeeld, of de misvatting dat een lucratieve thuismarkt van groter belang is voor een filmcultuur dan aansprekende filmauteurs.

Wie rijk wil worden, moet naar Hollywood emigreren. Wie mooie films wil maken, moet dat op dezelfde manier doen als choreografen, operaregisseurs en theatermakers: onder de paraplu van een in (film)cultuur geïnteresseerde overheid en onder uitsluiting van het respectabele, maar slechts door een fonds voor jonge ondernemers subsidiabele Theater van de Lach.