Vogels, wind, ballonnen

DE POST, VOOR HET te laat is. Maar eerst een korte aanvulling op de AW van vorige week waarin de vliegsnelheid van vogels ter sprake kwam. Er zijn theoretici die beweren dat grote vogels stelselmatig harder vliegen dan kleine omdat hun quotiënt van lichaamsgewicht en vleugeloppervlak zó ongunstig is dat ze wel hard moeten vliegen om niet neer te storten.

Van de weeromstuit beweren ze dat kleine vogels niet hard kùnnen vliegen omdat het niet hoeft. Zodra er een matige wind staat - windkracht vier - moeten kleine vogels aan de grond blijven. Zeggen de theoretici.

Het leek in strijd met de alledaagse ervaring en er is gezocht naar literatuur die ook uitsprak dat het anders zat. Veel helders kwam er niet boven water, maar deze week schoot te binnen dat er een 'biologische windschaal' bestaat, de schaal van Watson, die aangeeft hoe dieren op toenemende wind reageren. Misschien kon die uitkomst bieden. Waarachtig. Volgens Watson beginnen pas bij windkracht zes de eerste vogels uit te vallen. En het langst blijven zwaluwen en eenden in de lucht, die haken pas af bij windkracht tien: zware storm. Dat reigers en ooievaars daar nog tegenin komen is onwaarschijnlijk.

Op 24 mei ging het ook al over vogels. Over het ontbreken van weidevogels in de Oost-Belgische weiden en over de terugkeer van de gierzwaluw die al lang en breed (en massaal) boven Luik blijkt rond te vliegen voor hij een poot over de Nederlandse grens zet. Het lijkt wel of de gierzwaluw de laatste jaren steeds vroeger terugkeert uit Afrika, werd hier genoteerd, en een grafiek met AW-registraties van vroegste zwaluwwaarnemingen boven Amsterdam illustreerde dat: tussen 1972 en 1997 kwam de gierzwaluw gemiddeld twee weken eerder terug.

Dat van die Belgische weidevogels sloeg de lezer met stomheid, maar de losse opmerking over gierzwaluwen kon H. Nuijen uit Hilversum niet zomaar laten passeren. Hij houdt al sinds 1942 onafgebroken bij wanneer de eerste gierzwaluw boven Hilversum arriveert en verzamelde 52 datumdata. De kracht van zo'n lange reeks is dat de effecten van het leerproces die de eerste registraties beïnvloeden in de staart ontbreken. Nuijen werd van lieverlee een getrainde gierzwaluwkijker en des te meer gewicht mag worden toegekend aan de waarnemingen die hij de laatst 25 jaar, dus sinds 1972, deed. Welnu: daarin wordt bijna dezelfde trend gevonden als die welke van AW-wege voor Amsterdam werd genoteerd. Gemiddeld komen de gierzwaluwen tegenwoordig zo'n 12 dagen eerder terug in Hilversum dan 25 jaar geleden. Interessant is dat de vogels steeds eerder in Hilversum dan in Amsterdam worden gezien, gemiddeld scheelt het een dag of drie. Het bevestigt de Luikse indruk dat de gierzwaluwen in het voorjaar talmend en dralend, wachtend op goed weer of voldoende voedselaanbod, door Europa naar het noorden trekken.

De vluchtige AW-waarnemingen krijgen verder steun van de Amsterdamse bioloog W. Ellis die de vangstgegevens analyseerde van automatische lichtvallen waarmee al sinds 1955 allerlei nachtvlindertjes (Microlepidoptera) worden gevangen. Per vlindersoort en per jaar noteerde Ellis de dag waarop de grootste vangst werd gedaan. Daarna werden de gegevens voor alle soorten gecombineerd. Tussen 1955 en 1975 is er weinig trend, daarna treedt tot aan 1994 een vervroeging van 12 dagen op in de 'flight peak' (Entomologische Berichten, 1997, 57 (4)). Er is een mooie overeenkomst met de temperatuurstijging die het KNMI voor de periode vaststelde. Als wat voor nachtvlinders wordt gevonden voor vliegende insecten in het algemeen geldt kan het verklaren waarom de gierzwaluwen tegenwoordig al zo vroeg doorstoten naar het noorden.

De verleiding is dus groot om de vroege komst in de schoenen te schuiven van de apocalyptische klimaatverandering die het broeikaseffect teweegbrengt. Met hoogstens als voorbehoud dat het net zo goed een regen- als een temperatuureffect kan zijn, want zware of aanhoudende regen reinigt de lucht effectief van keine insecten. De gierzwaluw is een notoire slecht-weer-wijker.

Verandert het klimaat dus werkelijk? Dat is te vroeg gejuicht. Want de waarnemingen die Nuijen deed vóór 1972 tonen een heel ander perspectief. Het blijkt dat ook voor dat jaar al perioden voorkwamen waarin de gierzwaluw heel vroeg terugkeerde. In de jaren 1967-1971 arriveerden de Hilversumse zwaluwen steeds voor 21 april. Als er dus al enig verband bestaat tussen de vroege terugkeer en het klimaat, betekent dat nog helemaal niet dat het niet weer de andere kant op kan.

Nog even terug naar de Ardennen. Op 10 mei ging het over drie Nederlandse ballonnen die de dag na Koninginnnedag in de Belgische bergen werden aangetroffen. In Groningen, Twente en Limburg opgelaten en toch zo dicht bij elkaar geland. Bovendien niet leeggelopen maar gebarsten, alle drie, alsof barsten de regel is. Het ìs ook de regel, laat de Wageningse bioloog P. Slim weten. Tussen 1978 en 1986 maakte Slim vegetatieopnamen in een gebied van 1 bij 1 kilometer ten zuiden van Eindhoven en verzamelde hij maar liefst dertig wedstrijdballonnen. Zonder uitzondering kapotgeknapte ballonnen. Niet altijd was de tekst op het aanhangende kaartje nog te lezen, vaak hadden slakken al veel letters weggevreten, maar uit de som van de overblijfselen viel af te leiden dat de balonnen gemiddeld een tocht van 120 kilometer achter de rug hadden.

De Ardenner ballonen kwamen veel verder en een onderwijzer uit Nijkerk bericht dat een ballon van een van zijn leerlingen eind vorig jaar helemaal in Petersburg neerkwam. Het frappante is dat het hier een ballon betrof die de winnende scholier aan twee andere had vastgebonden. Volstrekt verwerpelijk, maar anderzijds geheel conform het AW-advies om ballonnen voortaan wat te verzwaren. Want drie ballonnen knappen natuurlijk niet alle drie tegelijk en zodra de eerste knapt trekken zijn rubberen overblijfselen de resterende twee als het ware uit de gevarenzone. De andere twee knappen dus helemaal niet en krijgen de kans om rustig leeg te lopen.