Universitaire pubers

Aan de Nederlandse universiteiten studeren steeds meer kinderen. Van achttien jaar en ouder, dat wel, maar het zijn verder aandoenlijke kleuters die in die grote academische wereld reddeloos ten onder gaan als ze niet stevig bij de hand genomen worden.

Dinsdag berichtte de krant over deze ontwikkeling die aan de Utrechtse rechtenfaculteit al geleid heeft tot de aanstelling van 28 mentoren. Hun opdracht is om samen met de eerstejaars studenten regelmatig te eten, erop toe te zien dat zij hun huiswerk maken en hen op tijd naar de collegezaal te sturen. Daarnaast houden ze intensief contact met de ouders om samen met hen de studievoortgang van hun kind te evalueren en waar nodig bij te stellen. Als extra service brengen zij hun pupillen het verschil tussen een d en een t bij, en helpen ze bij het opstellen van een brief of het invullen van een aanvraagformulier.

Zo'n persoonlijke begeleiding is nodig om de grote studieuitval aan de universiteit tegen de gaan. Deze bedraagt nu al veertig procent, en volgens studentendecanen en actievoerders van de landelijke studentenvakbond is dat het gevolg van het emotioneel en pedagogisch vacuüm dat door de bureaucratisering van het hoger onderwijs ontstaan is. Als er niets aan gedaan wordt, haalt straks niemand meer zijn bul. Meer aandacht voor de student dus, en vooral meer aandacht voor het verwaarloosde kind in de student.

Hebben zij gelijk?

Zelf heb ik al zo'n twintig jaar dagelijks educatief contact met jong volwassenen in het hoger onderwijs en ik moet helaas toegeven dat dat van het huiswerk en het op tijd komen klopt. Die zaken worden nauwelijks nog serieus genomen. Ook de d- en t-problematiek is onvoorstelbaar groot. Over brieven schrijven kan ik niet oordelen, maar wel over scripties. De dertig die ik dit studiejaar onder ogen kreeg, bestonden, op de overgeschreven bladzijden na, grotendeels uit proza dat in grammaticaal opzicht niet verschilt van dat wat in groep zes van de basisschool gebruikelijk is.

Maar betekent dit dat de schrijvers ook geestelijk op dat niveau zijn blijven steken?

Wis en waarachtig niet. De meeste van mijn studenten zijn in mentaal opzicht een flink stuk verder. Halverwege de puberteit, zo schat ik. Nukkig, speels,onbeholpen, heftig, lusteloos, verveeld, onberekenbaar, in alles wat ze zeggen en doen tonen ze het hele scala van eigenaardigheden die de puberteit tot zo'n emotionele janboel maken. Niet alleen in het rumoer van de collegezaal, maar ook in de stille beslotenheid van mijn spreekkamer. De moderne studentenpopulatie bestaat voornamelijk uit chaoten. Jong, zeker, maar geen kind meer en nog lang niet volwassen. Vier jaar studeren brengt daar nauwelijks verandering in.

Ik vrees dat meer persoonlijke aandacht, zoals de LSVB en Universiteit van Utrecht willen, bij deze doelgroep dan ook geen enkele zin heeft. De puberteit heeft nu eenmaal een eigen dynamiek die met geen enkele therapeutische ingreep te beïnvloeden is. Met de mentor samen eten en samen huiswerk maken zijn uiteraard ook in deze ontwikkelingsfase gezellige bezigheden, maar als serieuze pogingen om de chaos in het puberleven te beteugelen zijn ze tot mislukken gedoemd. Een universiteit die hiermee studieuitval wil bestrijden, begaat een ernstige vergissing.

Veel beter is het om de puberteit als maatschappelijke realiteit te erkennen. Hoe ook te betreuren, sinds de jaren zestig manifesteert deze levensfase zich steeds nadrukkelijker in het hoger onderwijs. Ze duurt langer, is hardnekkiger en is volstrekt immuun voor welke didactische vernieuwing dan ook.

Over de meeste sociologische oorzaken kan men een heftig debat voeren - de krantenlezende vader, de emanciperende moeder, Rudolf Steiner, het cannabisgebruik, te vroege sex of de falende middenschool - over de belangrijkste oorzaak bestaat evenwel geen twijfel: dat is de televisie.

Ik weet het, het klinkt banaal, en om onbegrijpelijke redenen vinden de meeste sociale wetenschappers het beneden hun stand om deze simpele oorzaak door deugdelijk onderzoek aan te tonen, maar daarom is het niet minder waar. De beeldbuis, vanaf de geboorte dagelijks bekeken, heeft in onze cultuur een sterk remmend effect op de normale ontwikkeling naar de geestelijke volwassenheid.

Voor de huidige generatie is de dagelijkse portie door het uitdijend zenderpark zó groot geweest (MTV bijvoorbeeld heeft de intellectuele vorming op de middelbare school onmogelijk gemaakt), dat het een godswonder mag heten dat ze nog voor de universiteit de puberteit überhaupt gehaald heeft. Het is een illusie te menen dat de student daar binnen de toestgestane studieduur van vier jaar nog uit komt. Met of zonder begeleiding.

Een universiteit die zich dit realiseert kan kiezen uit drie mogelijkheden. Men kan de studie ombouwen tot een soort wetenschappelijke dienstplicht. De studenten verblijven dan intern en worden zo gedrild dat ze ongeacht de mentale ontwikkelingsfase waarin ze verkeren na vier jaar elke willekeurige wetenschapsopvatting van voor naar achteren en van achteren naar voren kunnen opdreunen. Het grote nadeel is dat deze benadering niet de onderzoekende geesten oplevert waar onze kennissamenleving zo om verlegen zit.

De tweede mogelijkheid is alle academische kennis via de beeldbuis over te brengen. De gedachte hierachter is dat MTV-jongeren alleen nog met eigen middelen enige wetenschappelijke discipline bij te brengen is. Een naïeve gedachte helaas, want al dat gesurf en gezap maakt de chaos alleen maar groter. Wie zijn studenten uit modernistische overwegingen de elektronische snelweg op stuurt, raakt ze voorgoed kwijt.

Rest de derde mogelijkheid: rustig afwachten tot de schoolverlaters van nu volwassen zijn, en ze dan pas tot de universiteit toelaten. Dat kan best tien, twintig, dertig jaar duren. Met al het multimediale vuurwerk van tegenwoordig is daar geen peil op te trekken. Maar dat geeft niet. In de tussentijd kunnen de wetenschappers zich ongestoord bezig houden met waar ze nu door al die huiswerkbegeleiding maar niet aan toe komen: het doen van belangrijk onderzoek. Naar de schadelijke effecten van televisiekijken bijvoorbeeld.