Recht op zelfbeschikking bemoeilijkt gedwongen opname; Joop is niet gevaarlijk! Joop is niet gek!

Joop is chronisch psychotisch. Hij verwaarloost zichzelf en terroriseert zijn moeder bij wie hij nog in huis woont. Zolang hij formeel geen gevaar oplevert voor zijn omgeving beslist een psychoot zelf of hij moet worden opgenomen in een inrichting. Gevangen tussen zelfbeschikking en waardigheid.

Joop (52) had in huis weer eens aan de elektriciteit gezeten. Het was hartje zomer 1995 en de koelkast, de televisie en de wasmachine deden het niet meer. Joop weigerde monteurs in huis te laten. Zijn broer Frits (48) haalde de politie erbij: of ze de monteurs van het elektriciteitsbedrijf bij de reparatie wilden begeleiden. Frits: “Joop stond de monteurs in smerig ondergoed en met een breekijzer in de hand op te wachten. De politie heeft Joop het breekijzer afgenomen en het verstopt. Toen de elektriciteit was aangesloten, zijn ze weer weggegaan.”

Joop, die zwaar psychotisch is, verziekt het leven van zijn moeder (86) bij wie hij in huis woont. Hij heeft behandeling nodig, daar zijn psychiaters en hulpverleners het over eens. Toch is opname in een psychiatrische kliniek onmogelijk. De reden: Joop wil niet. De familie van Joop probeert al meer dan tien jaar om Joop opgenomen te krijgen. De keren dat na veel moeite een rechterlijke machtiging werd afgegeven voor een gedwongen opname, stond Joop een paar maanden later weer voor de deur. Want in de kliniek, waar Joop medicijnen krijgt, gedraagt hij zich goed.

De wet Bijzondere Opnamen in Psychiatrische Ziekenhuizen (BOPZ) die in 1994 na jarenlange discussies formeel in werking is getreden - rechters handelden de laatste vijf jaar al naar de geest van de wet - heeft het moeilijker gemaakt om mensen met een psychische stoornis op te nemen. Voorheen gold onder de Krankzinnigenwet die stamde uit 1884, dat opname mogelijk was als de patiënt zich niet verzette. Volgens de nieuwe wet, die beoogt de rechtspositie van patiënten te versterken, moet een patiënt zelf actief toestemming geven voor opname. Om iemand gedwongen op te nemen, moet een psychiater verklaren dat de patiënt een gevaar is voor zichzelf of de omgeving. Onder de oude wet mocht gedwongen opname ook geschieden voor de 'eigen bestwil' van de patiënt.

De vereniging voor familieleden van schizofrenen Ypsilon (vijfduizend leden) wil dat de BOPZ, die na de zomer door het kabinet wordt geëvalueerd, verandert. Psychotische mensen die geen inzicht hebben in hun eigen ziekte moeten een aparte status krijgen. Voor hen moet niet 'gevaar' het criterium voor gedwongen opname zijn, maar 'behoefte aan verzorging', vindt L. Bosscher, vice-voorzitter van Ypsilon. “Het recht op zelfbeschikking is natuurlijk prachtig”, zegt ze, “maar op mensen die ieder contact met de werkelijkheid zijn verloren, is het niet toepasbaar.”

Het precieze aantal psychoten dat hulp nodig heeft maar deze niet krijgt omdat ze die zelf weigeren, is onbekend. Maar volgens Bosscher gaat het om duizenden mensen. Eén op de honderd mensen lijdt in Nederland aan schizofrenie, bij vijf procent is de stoornis zo ernstig dat de patiënt zelf niet beseft ziek te zijn. Ypsilon verzamelde in een boekje tachtig casussen van schizofrenen die verkommerden omdat ze zelf hulp weigeren. Als patiënten eenmaal worden opgenomen, is dat meestal maar voor korte tijd: de geestelijke gezondheidszorg is de laatste jaren ambulant geworden en niet berekend op 'blijvers'.

Majoor I. Voorham van de stichting Welzijns en Gezondheidszorg van het Leger des Heils, constateert dat het aantal dak- en thuislozen met een psychische stoornis de laatste jaren toeneemt. “Door het wegvallen van de asielfunctie van psychiatrische klinieken komen steeds meer psychisch gestoorden in het zwerfcircuit terecht”, zegt ze. Voorham schat dat dertig á veertig procent van de circa dertigduizend daklozen psychisch ziek is.

De echte problemen met Joop, de middelste uit een gezin met zes zoons, begonnen vlak na zijn diensttijd. Hij kwam zijn bed niet meer uit, kreeg ontslag bij de garage waar hij werkte als monteur en belandde in de WAO. Joop leed al vroeg aan waangedachten. “Dan zei hij: 'zie je die mensen daar, die zijn bezig een complot tegen mij te smeden'. Maar dan stond er helemaal niemand.” Als kind was Joop al heel “ik-gericht”, vertelt Frits. “Hij was bang voor vreemden. Als hij naar de kapper moest, was dat een drama.” De familieband was nooit erg hecht. Joops vader en moeder hadden geen goed huwelijk. Moeder is nogal afstandelijk en kil van aard, zegt Frits. De familie raakte ongemerkt aan Joops gedrag gewend. “Die ziekte was onbekend. Ik heb 'paranoia' later moeten opzoeken in het woordenboek.”

Omdat hij door zijn psychoses niet meer was te handhaven in het gezin - hij sloeg wartaal uit en lag de hele dag op zijn bed - werd Joop in 1969 voor het eerst gedwongen opgenomen in de Willibrorduskliniek te Heiloo. Zijn vader tekende een krankzinnigenverklaring, destijds voldoende voor gedwongen opname.

Toen Joop na een half jaar terugkwam, had de familie goede hoop dat hij was genezen, vertelt zijn jongere broer Jos (49). “Vlak nadat hij weer thuis was, zei ik tegen hem: 'jij vertelde ook wel hele rare verhalen hè?' Tot mijn verbazing antwoordde Joop toen: 'ja, maar die verhalen waren wèl allemaal waar'. Toen wist ik: die behandeling is niet klaar, dat is daar allemaal in dat hoofd blijven zitten.” Frits: “De rare verhalen, die bleven. Toen hij uit de kliniek kwam, zei hij dat ze hem voor miljoenen hadden opgelicht. Of dan zei hij: 'die gasexplosie bij de Hembrug, daar weet jij ook alles van hè?” Jos: “Hij heeft een heel eigenwijs karakter. Als hij iets tussen zijn oren had meegemaakt, ging je daar niet tegenin. Je won toch nooit.”

Terug uit de kliniek, stopte Joop met het nemen van zijn medicijnen. Schoonzuster Bep: “Wíj waren gek, niet hij.” Het ging snel bergafwaarts met Joop, hij werd steeds minder aanspreekbaar. Hij waste en scheerde zich niet, zat altijd met zijn voeten op tafel en begon met “rommelen” in huis. Knoeien aan de elektriciteit werd zijn hobby. “Mijn schoonvader zei: kom maar niet meer thuis, het wordt hier te gevaarlijk”, zegt Bep. Joop maakte overal in huis sloten op, spande overal draadjes, zat zijn moeder achterna met een aardappelschilmesje. Hij werd ook achterdochtig tegen zijn broers en hun vrouwen. Bep: “Een keer blafte zijn hond naar mij, toen riep hij: 'jij moet die rotzooi ook uit je zak halen'.” Toen Joops hond overleed, liet hij hem dagen lang dood naast zijn bed liggen met een sinaasappel ernaast, vertelt Frits. Niemand moest proberen om de hond weg te halen. De politie heeft de hond uiteindelijk opgehaald.

Psychiater Offerhaus, hoofd behandelzaken van de Willibrorduskliniek, beaamt dat Joop niet was genezen toen hij uit zijn kliniek werd ontslagen. “Maar als wij een tijd ons best hebben gedaan om een persoon te genezen en dat is niet gelukt, dan is hij in deze kliniek niet op zijn plaats”, zegt Offerhaus. Het is niet de taak van de kliniek om patiënten zoals Joop blijvend gedwongen te verzorgen, zegt hij. Als Joop de behandeling zelf had gewild, was het anders geweest. “Als hij had gezegd: 'ik wil hulp', dan had ik gezegd: 'laten we kijken wat we kunnen doen'. Maar als een patiënt zelf niks wil, wie ben ik dan om hem van alles voor te schrijven?”

Vooral de vader van Joop leverde een eenzame strijd met instanties om zijn zoon opnieuw opgenomen te krijgen. In het geheim, want als Joop er lucht van zou krijgen, zwaaide er wat. Een paar keer lukte het, maar Joop werd steeds na een paar maanden weer uit de kliniek ontslagen. Bep: “In het ziekenhuis gedroeg Joop zich netjes want dan dacht hij: 'ik ben zo weer thuis'.” Uit een dik dossier haalt ze een van de vele door Joops vader ingevulde verzoeken om voorlopige opname tevoorschijn. “Ik zit op mijn bed te schrijven met een zaklantaarn. Er gaat geen dag voorbij zonder dreigen en slaan. Mijn vrouw heeft ook slaag gehad”, staat er in een slecht leesbaar handschrift. Na de vierde gedwongen opname, nu in Duin en Bosch te Castricum in 1987, weigerde Joops vader zijn zoon opnieuw in huis te nemen. Joop betrok een eigen flat. Een “enorme opluchting”, volgens Bep. In oktober 1988, een paar maanden nadat hij van zijn zoon was 'bevrijd', overleed de vader van Joop op tachtigjarige leeftijd. Jos: “Ik denk dat hij langer had geleefd als de ellende met Joop niet was gebeurd. Hij moest pillen nemen om te slapen. Het heeft hem kapot gemaakt.”

Joop maakte de brievenbus van zijn eigen flat niet open omdat hij meende dat er aardstralen in zaten. De woningbouwvereniging dreigde met uitzetting wegens huurachterstand. De buren klaagden over stank. “Toen hebben we de trein weer in beweging gezet om hem opgenomen te krijgen”, vertelt Bep. Joop zat sinds het overlijden van zijn vader weer vaker bij zijn moeder dan thuis. “Langzaam werkte hij zich er weer in”, zegt Frits. Na veel heen en weer gebel bezocht een psychiater van de RIAGG, begeleid door de politie, Joop in juni 1991 in het huis van zijn moeder. De psychiater oordeelde dat Joop ernstig ziek was, maar dat de toestand niet ernstig genoeg was om hem gedwongen op te nemen. Jos: “Toen wisten wij het echt niet meer.” Bep: “We waren helemaal leeg.”

De huidige wet BOPZ is op zichzelf goed, zegt J. Nauta, één van de psychiaters van Duin en Bosch die Joop heeft behandeld, maar hulpverleners zouden het 'gevaarscriterium' wat ruimer moeten nemen. “Zelfverwaarlozing en tirannie voor de omgeving kun je ook als gevaar opvatten. De psychiater zou iets meer dokter moeten zijn en iets minder op de stoel van de rechter gaan zitten”, zegt hij. Psychiater Lochtenberg van de RIAGG daarentegen, vindt verwaarlozing niét zonder meer een reden voor opname. “Er moet levensgevaar zijn of ernstig gevaar voor de gezondheid”, zegt hij. Bij stankoverlast kan de gemeente komen schoonmaken, zegt Lochtenberg. “De rechten van het individu zijn ook belangrijk”, meent hij.

De dag na de zoveelste mislukte opname van Joop, zetten zijn broers hem uit zijn moeders huis. Het was nu vooral hun moeder die ze wilden helpen. Zij bleek niet tegen Joop opgewassen. “We wilden hem daar weg hebben”, zegt Frits. “We hebben gewoon gezegd: opflikkeren.” Ze zetten een ander slot in de deur en drukten moeder op het hart Joop geen sleutel te geven. “Ze heeft zich daar aan gehouden, maar Joop stond wel elke dag voor het raam. Pas als de politie kwam, ging hij weg.” De BOPZ is een harteloze wet, zegt Frits. “Als Joop een kind vermoordt, dán is er reden om hem op te nemen. Ja, daar haal je de koekoek.”

In zijn eigen flat is Joop bijna verhongerd, vertelt Bep. De familie ging weer naar de RIAGG. Nadat buren hadden geklaagd over stankoverlast viel de politie met een ontruimingsbevel op 2 oktober 1991 Joops flat binnen. Ernstig vervuild en ondervoed troffen zij hem daar aan. Joop had lange tijd zonder water, gas en geld in zijn flat gezeten. In de huiskamer lagen talloze kurken met ijzerdraadjes eromheen, constructies om aardstralen mee op te vangen. Psychiater Nauta zei dat Joop gebaat zou zijn bij opname op de verblijfsafdeling. “Maar dan moest hij dat wèl zelf willen”, zegt Bep.

Joop wilde maar één ding: naar huis. Op 13 januari 1992, drie maanden na de opname, kwam er bericht uit Duin en Bosch dat het alweer goed ging met Joop. Hij hoeft de zes maanden van het rechterlijke dwangbevel niet vol te maken, vinden de deskundigen. “Hij werd ontslagen terwijl hij nog zo gek was als een deur”, zegt Frits. “Hij raspte zeep over zijn eten en spoot er Anaïs Anaïs (parfum, red.) overheen.” Joop belandde langzamerhand weer bij moeder in huis. “Uiteindelijk heeft hij de sleutel toch weer bemachtigd.”

Psycholoog L. Sparreboom, destijds hoofdbehandelaar van Joop, zegt: “Ik ken hem als een modelpatiënt. Hij ging altijd keurig naar de arbeidstherapie en beloofde dat hij zich thuis goed zou gedragen.” Er moeten hele duidelijke redenen zijn om een patiënt opgesloten te houden, zegt Sparreboom. “Ik moet tegenover de rechter kunnen aantonen dat de patiënt een gevaar is. In het geval van Joop kon ik dat niet.” Sparreboom erkent dat Joop chronisch ziek is, “maar ik denk niet dat je iemand daarom moet opsluiten.” Vroeger, zegt Sparreboom, hoefde je maar eén keer naakt over straat te rennen om levenslang in een inrichting terecht te komen. “De laatste tien jaar zijn opnamen vooral bedoeld om acute crises te weren.” Sparreboom gelooft dat je afspraken kunt maken met patiënten, ook al zijn ze psychotisch. “Je moet duidelijk maken dat als ze grenzen overschrijden, ze weer opgesloten zullen worden.” Als Sparreboom opnieuw zou moeten besluiten over Joop, zou hij hem nog altijd niet gedwongen naar de verblijfsafdeling sturen, zegt hij. “Ik zou met de instanties om de tafel gaan zitten en een plan maken. We moeten onze inspanningen richten op de thuiszorg”, zegt hij. Maar ook voor de thuiszorg geldt: Joop moet die wèl zelf willen. Frits en zijn vrouw Hannie zijn de enigen die moeder af en toe nog bezoeken. Jos: “Ik heb gewoon keihard tegen moeder gezegd: zolang Joop daar is, kom ik niet.” Frits: “De vrijdag voor de zondag dat ik erheen moet, krijg ik al de kriebels.”

Frits: “Mijn moeder heeft alleen AOW, daar moeten ze met zijn tweeën van eten. Joop maakt zijn toelage van 125 gulden per week op aan nutteloze artikelen, hij heeft al vijf horloges gekocht. Er zijn dagen dat ze leven op rijst en water. Het is smerig in huis, Joop bepaalt wat er gebeurt. Moeder had een bril, Joop heeft hem kapotgemaakt, hij wil niet dat ze in huis een bril draagt. Ik heb aangeboden om de heg te knippen maar dan zegt moeder: 'doe maar niet, daar kan ik bij Joop niet mee aankomen'.”

Ze kunnen hun moeder niet bellen want Joop sleutelt aan de telefoon waardoor de bel niet meer rinkelt. “We werken met briefjes”, zegt Bep. Laatst werd Frits gebeld door de buurvrouw, die zei dat ze moeder door de muren heen hoorde huilen. “De politie is erheen gegaan. Er was niets loos, zeiden ze, behalve dat er een hond rondliep met een horloge om zijn poot.”

De moeder van Joop verzet zich inmiddels zélf tegen opname van haar zoon, zegt Lochtenberg van de RIAGG. “Als ik Joop te zien zou krijgen, is de kans 99 procent dat ik gedwongen opname adviseer”, zegt hij. “Maar om hem te zien, moet ik eerst een hoogbejaard mensje oppakken en zeggen: 'laat mij erdoor'. Dat doe ik niet.” Bep: “Moeder wil hem wel weghebben, maar niet met toestanden. Ze schaamt zich voor de buurt.” Lochtenberg: “We hebben het een jaar geleden geprobeerd, een paar maanden geleden opnieuw. Of moeder laat mij niet binnen, of Joop is niet thuis, of hij ontsnapt via de achterdeur.”

Lochtenberg heeft aan de officier van justitie gevraagd of het mogelijk is om Joop van straat op te pakken, waar hij overdag vaak rondzwerft. Maar officier van justitie Van de la Rivière te Haarlem die de zaak behandelt, zegt: “De wet vereist dat er een geneeskundige verklaring is om hem op te pakken en die is er niet. Het criterium blijft dat er gevaar moet zijn, en daar is mij tot dusver niets van gebleken.” Lochtenberg: “Om een geneeskundige verklaring op te stellen, moet ik Joop wél te zien krijgen.” We kunnen niet anders dan afwachten, zegt Lochtenberg. “Als hij zijn moeder nou de schedel zou inslaan, kan je de politie bellen. Maar als er niks gebeurt, is dat moeilijk.”

Wie is verantwoordelijk? vraagt de familie zich af. Joop, die na zijn eerste opname nog netjes gekleed ging, kort haar had en schoon was, loopt tegenwoordig over straat met haar tot over zijn schouders, een baard tot over zijn borst, pikzwarte nagels en in een oude trainingsbroek met gele plekken. Instanties geven elkaar de schuld, de patiënt is een pingpongbal, zegt Bosscher van Ypsilon.

Op de vraag aan Lochtenberg van de RIAGG wat er met Joop moet gebeuren, volgt een lange stilte. “We zitten in een patstelling”, zegt hij. Hij wijst naar de kliniek: dáár had Joop moeten blijven. Maar Nauta van Duin en Bosch zegt: “De verantwoordelijkheid voor de nazorg gaat over op de RIAGG.”

Je blijft met het probleem zitten dat als Joop wordt opgenomen, hij na een paar maanden weer vrij komt, zegt Lochtenberg. “Soms worden mensen ontslagen zonder overleg, dan staan ze plotseling weer voor je neus”, zegt hij. De beddencapaciteit voor chronische patiënten is beperkt, zegt psychiater Nauta: “De overheid wil minder bedden en meer ambulante zorg. Het is vechten om de bedden.”

Buren van Joops huurflat, waar hij soms nog komt, hebben geklaagd over wateroverlast. Dit geeft de familie weer hoop. “Misschien dat de officier van justitie nu iets gaat doen.” “Ik wil dat mijn moeder een menswaardig bestaan krijgt”, zegt Frits. “Er gaat geen dag voorbij dat ik er niet mee bezig ben. Als de telefoon gaat, denk ik meteen: er zal toch niet iets zijn? Stel dat moeder iets overkomt? Hoe komen wij dat dan te weten? Laatst stond ik te wachten voor het stoplicht en zag ik Joop lopen naar de pinautomaat. Met zijn lange baard, helemaal vies en vadsig. Dan denk je: daar gaat dus mijn broer.”