Oud-president en vredesbemiddelaar Jimmy Carter: 'Het oordeel van de geschiedenis over mij wordt steeds beter'

Als president van Amerika werd Jimmy Carter zwak genoemd. Hij oogst nu veel meer lof in zijn rol van vredesbemiddelaar. In opdracht van Clinton is zijn Carter Center als 'troubleshooter' opgetreden in Somalië, Noord-Korea, Haïti en Bosnië. 'Wij proberen vacuüms in de wereld te vullen. Dat ligt goed bij het grote publiek.'

Is Jimmy Carter nu geliefder dan toen hij Amerikaans president (1977-1981) was? Als 'activist' spant hij zich met zijn vrouw Rosalynn in voor ontwikkelingshulp en als vredesbemiddelaar springt hij bij in conflictgebieden. Nu een gevierd weldoener, toen een impopulaire president, achtervolgd door de gijzeling in Teheran en ten slotte weggevaagd door Ronald Reagan.

Jimmy Carter (72) toont zijn befaamde grijns: “De dingen die ik nu doe, zijn veel minder controversieel. Ons Carter Center in Atlanta staat bekend om zijn inzet voor vrede, mensenrechten, woningbouw, geestelijke gezondsheidzorg en hulp aan vooral Afrika. Dat ligt goed bij het grote publiek.”

Carter zit aan tafel in zijn suite in Hotel Huis ter Duin in Noordwijk, waar hij een conferentie van ex-wereldleiders bijwoont. Voormalig First Lady Rosalynn maakt zich in het slaapkamerdeel klaar voor het diner en beloont zijn uitspraken af en toe met een goedkeurend lachje. Bij de deur kijkt een lijfwacht roerloos naar de Noordzee. De Secret Service vergezelt Carter nog elke dag.

Het gesprek is kort daarvoor al begonnen in de lift. De Democratische oud-president met een blik over de duinen: “Gisteren in vijf kwartier naar Den Haag gefietst.” Rosalynn voorop en Jimmy in korte broek er achter. En toen zijn kinderboek The Little Baby Snoogle-Fleejer (1995) ter sprake kwam, glunderde hij: “Het is een zelf verzonnen verhaal over de belevenissen van een babyzeemonster, dat ik als onderzeebootofficier aan mijn drie zoons vertelde. U zou het moeten lezen!”

Vijfentwintig minuten later eindigt het gesprek weer in de lift. De godvruchtige baptist en zondagsschoolleraar uit Plains, Georgia, blijft het toonbeeld van deugdzaamheid dat hij voor velen is: geen kwaad woord over heden of verleden, noch over Bill Clinton die het “vrij goed” doet, Ronald Reagan of Radovan Karadzic.

Waarom strijdt u, als enige oud-president, voor vrede en tegen armoede?

“Toen ik het Witte Huis verliet, had ik veel onvervulde wensen op het gebied van vrede, mensenrechten en hulp aan mensen in nood. Ik had toegang tot leiders omdat ik president van een groot land was geweest. Als ik nu naar Soedan, Rwanda, Burundi, Haïti, Noord-Korea, Bosnië of Liberia ga, kan ik op een zeer opwindende manier mijn invloed aanwenden. Het Carter Center probeert vacuüms in de wereld te vullen. Als de Verenigde Naties, de Wereldbank of de Amerikaanse regering iets efficiënt doen, bemoeien wij ons er niet mee. Wij gaan naar plaatsen waar anderen niet graag komen. Maar als er geen uitzicht is op een direct resultaat, beginnen wij er niet aan.”

U bent ook 'troubleshooter' geweest in Clintons nachtmerries over buitenlands beleid: Somalië, Noord-Korea, Haïti en Bosnië. Wat was uw meest geslaagde missie?

“Haïti in 1994, omdat er een militaire invasie van de VS ophanden was tegen de junta van generaal Cedras. Een oorlog was bijna zeker. Er waren al 61 vliegtuigen met Amerikaanse parachutisten onderweg toen we eindelijk een overeenkomst bereikten met Cedras over het neerleggen van de militaire macht. Net zo opwindend en succesvol was de missie naar Noord-Korea in 1994, waar niemand naar toe wilde of kon gaan of vertrouwd werd door Kim Il Sung. De overeenkomsten die we met hem uitwerkten over de bevriezing van het nucleaire programma, zijn grotendeels nageleefd. We hebben eind 1994 een overeenkomst bereikt in Bosnië, die resulteerde in een bestand van vier maanden. Sommige missies lopen nog door zoals Liberia, Rwanda en Burundi.

“De moeilijkste missies waren die rond de Grote Meren in centraal-Afrika en Liberia. We gaan deze maand naar Liberia, waar de verkiezingen op 19 juli hopelijk goed zullen verlopen.”

Uw onderhandelingen in 1995 rond de Grote Meren bleven zonder succes?

“Ik zou niet zeggen zonder succes. Mobutu van Zaïre en Museveni van Oeganda, die niet met elkaar overweg konden, wilden een top onder auspiciën van het Carter Center. Ik heb die belegd met de leiders van Tanzania, Rwanda en Burundi erbij. Daaruit ontstond een veel beter begrip tussen de vijf leiders. Maar wij raakten nooit betrokken bij onderhandelingen.”

Volgens velen is ook de nieuwe leider Kabila een dictator. Is de bevolking er nu beter af?

“Dat weten we nog niet. Kabila heeft binnen twee jaar democratische verkiezingen beloofd. De internationale gemeenschap die economische steun zal geven, moet nu garanderen dat hij deze verplichting nakomt. Als hij dat doet, zijn de beschuldigingen van dictatorschap niet terecht.”

Wie was de moeilijkste van alle 'war lords' en dictators met wie u heeft onderhandeld?

Na enig gepeins: “Mengistu, de president van Ethiopië.” Door Mengistu's terreurregime kwamen tussen 1974 en 1991 100.000 tot 200.000 mensen om. “We hebben in 1989 22 dagen met hem en de bevrijdingsorganisatie van Eritrea onderhandeld over vrede. Beide partijen waren onvermurwbaar. Wij boekten geen resultaat, hoewel dit onze grootste inspanning was. Kim Il Sung daarentegen was nogal inschikkelijk en Cedras ook.”

En de Bosnische Serviër Karadzic?

“Ik vond hem niet overdreven moeilijk.”

Europa vindt hem een boef.

“Wel, daar wil ik geen oordeel over geven. Ik kan het daar niet mee oneens zijn omdat hij aangeklaagd is door het oorlogstribunaal.”

Volgens critici was u te aardig voor Karadzic en gaf u hem te veel aandacht.

“De enige aandacht die hij kreeg was toen ik naar Pale ging om hem te ontmoeten. Ik deed dat op zijn uitnodiging. Ik had de volledige toestemming van president Clinton. De officiële positie van de vijf landen in de internationale contactgroep was echter: niet naar Pale gaan maar onderhandelen met de Bosnische Serviërs via Belgrado. Maar ik ging toch, ook naar Sarajevo en Belgrado, en werkte een zeer goed document uit.”

De wapenstilstand die u bereikte, duurde slechts vier maanden.

“Van januari tot april 1995. Daar kwam toen geen vervolg op, maar pas veel later...” In november 1995 smeedde de Amerikaanse regering het vredesakkoord van Dayton.

Had u hetzelfde morele probleem als de latere vredesarchitect Richard Holbrooke, die twijfelde of hij Karadzic een hand moest geven?

“Dat probleem bestaat voortdurend: toen ik met Mobutu onderhandelde, met Cedras, Mengistu, Kim Il Sung. In elke zaak is er een moreel probleem: moet je deze dictators of schenders van de mensenrechten volledig isoleren of moet je ze overhalen hun problemen te verhelpen en de oorlog of misdaden te beëindigen?”

Uw stijl wordt wel therapeutische diplomatie genoemd: u streeft naar open gesprekken waarin iedereen klaar is voor verlossing.

Schaterend: “Nou, als ze klaar zouden zijn voor verlossing, heb ik daar geen bezwaar tegen! Soms bereiken leiders die internationale wetten hebben overtreden, een onnodig conflict begonnen zijn of schuldig zijn aan misdaden, een punt waarop ze hun fouten moeten kunnen rechtzetten. Zo kunnen ze de wereld duidelijk maken dat ze wel degelijk een paar kenmerken van waardigheid hebben.

“Als zij mij vragen als hun gesprekspartner - ik zal het woord biechtvader niet gebruiken - en als ik toestemming krijg van mijn president, dan ga ik. Er zijn veel keren geweest - ik ga ze niet opsommen - waarbij ik geen toestemming kreeg om naar een probleemgebied te gaan. Dan zeiden ze: wij werken zelf aan deze zaak.”

U heeft wel vaker kritiek gekregen dat u soleert en te onafhankelijk bent.

“Een paar keer van het State Department. Soms ziet het ministerie mijn inspanningen als inmenging of als een insinuatie dat zij hebben gefaald. Zo zie ik het niet. Daarom ga ik rechtstreeks naar de president van de VS.”

U wordt zelf de beste ex-president genoemd.

“Ik wil niet opscheppen, maar een analyse door beroemde historici dit jaar plaatst mij redelijk hoog op de lijst van presidenten. De vier jaren dat ik in functie was, krijgen meer waardering. Het oordeel van de geschiedenis wordt steeds beter.”

U werd destijds een zwakke president genoemd.

“Dat was voornamelijk omdat ik me onthield van het gebruik van militair geweld. Ik probeerde te vertrouwen op vredesonderhandelingen en legde een sterk accent op mensenrechten. Mensen die meer geneigd zijn tot andere vormen van diplomatie, zoals Henry Kissinger, vonden dat ik te zwak was en dat we Amerika's grote militaire macht meer hadden moeten gebruiken. Zoals tijdens de gijzeling in Teheran.”

Is het akkoord van Camp David in 1978 tussen de Egyptische president Sadat en de Israelische premier Begin één van uw belangrijkste prestaties?

“U noemt er nu één, maar de moeilijkste was de ratificatie van het Panamakanaal-verdrag. Camp David deed ik in mijn eentje. Daar had ik geen tweederde meerderheid van de Senaat voor nodig, zoals voor een verdrag.”

Heeft het Camp David-akkoord nu nog waarde?

“Grote waarde. Je moet de tekst van het Camp David-akkoord maar eens vergelijken met de overeenkomst van Oslo: die zijn bijna identiek. Het is de tekst van Begin en Sadat.”

Maar u bent ook nog steeds een beetje vader van de tekst?

“Dat denk ik wel. De laatste tien dagen waren Begin en Sadat totaal onverenigbaar. Ik hield ze uit elkaar en pendelde heen en weer tussen hen.

“Het belangrijkste moment was vlak voor het einde toen Begin tegenover God had gezworen dat hij nooit Israelische kolonisten uit hun nederzettingen zou verwijderen. Ik dacht dat het uitzichtloos was. Op de valreep bedachten we een alternatief waarbij Begin op afstand zou blijven en de beslissing zou worden genomen door de Knesset. Zo losten we deze kwestie op: Begin keurde het Camp David-akkoord goed en de Knesset stemde met 85 procent vóór. De Israelische nederzetting met 3.000 mensen in de Sinaï op Egyptisch gebied werd ontmanteld.”

Wat vindt u van het huidige Amerikaanse beleid in het Midden-Oosten?

“Niemand vertrouwt elkaar daar nog. Wat we vergeten is dat het enige succes in het Midden-Oosten in de afgelopen negentien jaar op gang is gebracht door bemiddeling van Noorwegen. De VS waren niet betrokken bij die gesprekken. Maar nu zijn de VS de enige derde partij die een constructieve rol kan spelen.”

U was president tijdens de Koude Oorlog, die tien jaar later voorbij was. Heeft u genoeg gedaan om die te beëindigen?

“Wij hebben met Moskou de Salt II-overeenkomst, voor de beperking van strategische kernwapens, gesloten. De voorwaarden zijn door geen van beide partijen geschonden.”

Bij gesprekken over Salt II in Wenen in juni 1979 zat u tegenover Sovjet-president Brezjnev en zei hij als leider van het machtigste atheïstische regime in de wereld tegen u: “Als wij niet slagen, zal God ons dat nooit vergeven.”

“Ik vond dat interessant, maar naast hem zat minister van Buitenlandse Zaken Gromyko. Die keek naar boven (Carter imiteert Gromyko met een zucht en blik naar het plafond). Hij schrok van wat zijn leider zei.”

Vertrouwde u Brezjnev?

“Ik vertrouwde hem om Salt II uit te voeren. En dat heeft hij ook gedaan. Dat was het enige waarbij ik me baseerde op mijn vertrouwen.

“Mijn belangrijkste twist met Moskou ging over mensenrechten: migratie en emigratie van joden, bescherming van mensen als Sjtsjaranski. Een andere kwestie was: normaliseren we de diplomatieke relaties met China? De Sovjet-Unie meende dat wij en de Chinezen een dreiging vormden voor Moskou, wat nooit het geval was.

“De ernstigste fout van Brezjnev was de inval in Afghanistan. Toen heb ik de Sovjet-Unie publiekelijk veroordeeld en gezegd dat als ze Afghanistan zouden verlaten zuidwaarts Pakistan of Iran in, dat wij dat als een bedreiging van de veiligheid van ons land zouden beschouwen en gepast zouden antwoorden. Als ik nu op al deze zaken terugkijk, zou ik het niet anders hebben gedaan.”

In uw memoires 'Keeping Faith' (1982) schrijft u dat de Franse president Giscard d'Estaing uw “favoriet was van de hele Europese groep”.

“Het was vaak zo dat Frankrijk en de VS tijdens een krachtmeting de twee zwaarste stemmen hadden. Ik kan mij geen moment herinneren dat Giscard en ik niet op één lijn zaten.”

In uw boek schrijft u dat de Duitse bondskanselier Helmut Schmidt en de Britse premier Margaret Thatcher een te sterke wil hadden en arrogant waren. Op een top in 1979 gaf Schmidt “economieles” en tijdens een top in 1980 was hij “aan het razen en tieren”.

“Ook al hadden we sterke meningsverschillen, in privétijd konden we het met elkaar vinden. Helmut vond mijn mensenrechtenbeleid contraproductief. We hadden een twist over de neutronenwapens. De VS waren volgens hem verantwoordelijk voor de ontwikkeling en fabricage van neutronenwapens die alleen in Europa moesten worden opgesteld. Ik kon geen enkele Europese leider zo ver krijgen dat hij zou zeggen: we plaatsen die op mijn grondgebied.

“Maar Helmut blijft één van de briljantste leiders. Filosofisch gezien was ik het veel vaker oneens met Margaret dan met Helmut.”

U heeft de veertien maanden durende gijzeling van Amerikanen door Iraanse radicalen, die in november 1979 begon, “de moeilijkste periode van uw leven” genoemd. Heeft u toen fouten gemaakt?

“Ik heb niks gedaan wat ik toentertijd anders had willen doen. Ik was de laatste tegenstander in mijn regering om de sjah van Iran toe te laten in New York voor medische behandeling. Hij had mij beloofd geen politieke uitspraken in de VS te doen. Zowel de president als de premier van Iran beloofden me dat er niets tegen de VS zou worden ondernomen als de sjah in Amerika zou komen. Toen de sjah inderdaad kwam, namen de Iraanse studenten, misschien onder invloed van de ayatollah, het initiatief, bezetten de ambassade en gijzelden de mensen.”

Waarom heeft u niet eerder de evacuatie van Amerikanen verordonneerd?

“Omdat wij tot dan toe goed overweg konden met de revolutionaire regering. Nadat de sjah was afgezet, opende de nieuwe regering onder de ayatollah een vestiging in Washington.

“Natuurlijk was daarna een militaire aanval tegen Iran één van mijn opties. Maar dat zou hebben geleid tot de dood van alle gijzelaars.”

Wat denkt u van de beschuldiging dat Reagans campagneteam onderhandeld heeft met Iran om ervoor te zorgen dat de gijzelaars tot na de Amerikaanse presidentsverkiezingen zouden worden vastgehouden?

“Dat zijn aantijgingen die nooit wettelijk bewezen zijn.”

Maar wat denkt u?

Aarzelend: “Ik geloof dat de directeur van president Reagans CIA waarschijnlijk wel iets te maken heeft gehad met de Iraniërs.” William Casey was voordat hij CIA-chef werd, leider van Reagans campagneteam.

Was de gijzeling de belangrijkste reden voor uw nederlaag tegen Reagan?

“Zonder twijfel. Waren de gijzelaars vrijgelaten voor de verkiezingsdag, dan was ik herkozen.”

In uw memoires schrijft u niets negatiefs over Reagan. Ook niet over uw overdrachtsgesprek met hem, waarin u de lopende zaken doornam. Reagan maakte geen notities. Maar toen u wegging, vroeg hij of hij uw aantekeningen mocht hebben. Een teken van luiheid?

“Ik zou niet willen beweren dat Reagan lui was. Hij hield zich niet bezig met details. Waarschijnlijk voelde hij ook nog de vijandige ehh...de nasleep van de verkiezingscampagne.”

Hij was een betere 'communicator'.

“Daar is algemene consensus over.”

U, vaak aangeduid als het slimste jongetje van de klas, verloor van een derderangs acteur.

“Ik zou zelfs niet willen beweren dat hij een derderangs acteur is. Ik heb nooit een film gezien waarin hij meespeelde.”

Was uw periode een interregnum tussen het Watergate-schandaal en de Reagan-revolutie?

Plotseling zegt Rosalynn Carter die is aangeschoven, verbeten: “Vrede en mensenrechten worden als soft beschouwd. Het is populairder om een bom te gooien. Als Jimmy Teheran had gebombardeerd, zou hij herkozen zijn als president.” De tijd is om. De Carters snellen de suite uit. In de lift praten ze door.

Hij: “Het staat buiten kijf dat iemand die gelooft in vrede, mensenrechten, kwaliteit van het milieu en verlichting van het lijden, gestigmatiseerd kan worden als zwak. Maar dat is niet terecht.”

Zij: “De kwestie van vrede en mensenrechten wordt populairder, mensen worden zich er steeds meer bewust van.”

Hij: “Het makkelijkste wat je kunt doen als president, is een militaire aanval lanceren. Dat is erg populair.”

Blij dat u nooit een militaire aanval gelanceerd heeft?

Bijna plechtig: “Yes, I am.”

De liftdeur schuift open en onmiddellijk stuiven enkele nerveuze mannen naar voren: “Mister president! Mister president...!”