Op het slechte pad; Criminaliteit van Marokkaanse jongens blijft onverklaard

In sommige plaatsen komt bijna de helft van de Marokkaanse jongens met de politie in aanraking en hun recidivecijfer is hoog. Kennis te over van dit probleem, maar de samenhang ontbreekt.

AL TIEN JAAR LANG worstelen politie, justitie en hulpverleners met een hardnekkig criminaliteitsprobleem van Marokkaanse jongens. In sommige plaatsen komt bijna de helft van alle Marokkaanse jongens met de politie in aanraking en hun recidivecijfer is hoog. Het probleem veroorzaakt veel leed en schade en er wordt dan ook koortsachtig gezocht naar een effectieve aanpak van het vraagstuk. Uit een recente publicatie van Coppes, De Groot en Sheerazi, Politie en criminaliteit van Marokkaanse jongens, blijkt dat de politie en de hulpverlening die oplossing nog lang niet heeft gevonden. Haar optreden is zelfs ronduit contraproductief. De zachte Hollandse aanpak ontmoet ongeloof en verbazing en maakt politieagenten in Marokkaanse ogen tot doetjes waar je alles mee uit kunt halen.

Om zo'n effectieve aanpak te vinden is een goede analyse nodig van het probleem. Daar schort het in Nederland niet aan: er is wetenschappelijk onderzoek in overvloed. Waar het wel aan ontbreekt is cumulatie van kennis. De resultaten en interpretaties lopen uiteen en spreken elkaar tegen. Dat wordt ten eerste veroorzaakt door de ongelijksoortigheid van de gegevens. Er is door sociologen (Junger) enquête-onderzoek gedaan onder enkele honderden allochtone en autochtone jongens en daarbij is gevraagd of ze wel eens met politie en justitie in aanraking zijn geweest. Veel Marokkaanse jongens blijken bij zo'n vraaggesprek te liegen dat ze nog nooit iets met de politie te maken hadden gehad, maar dat is met behulp van politiegegevens gecorrigeerd. Op deze manier is de omvang van het vraagstuk redelijk vast te stellen en ook als het sociaal-economisch niveau van jongens constant wordt gehouden door het criminaliteitsniveau binnen dezelfde buurt te bekijken, vertonen Marokkanen hogere cijfers dan Nederlandse jongens of jongens uit andere etnische groepen.

SUBCULTUUR

Alle andere enquêtevragen zijn typisch achter het schrijfbureau bedacht en sluiten niet erg aan op de leefwereld van buitenlandse jongeren die zich in een deviante subcultuur ophouden. Dat levert een enigszins onwerkelijk en geconstrueerd beeld op. Omdat jongens uit alle onderzochte etnische categorieën op al die vragen wel antwoord geven, concludeert de onderzoekster dat de oorzaken ervan bij verschillende nationaliteiten eigenlijk niet verschillen. De Marokkaanse achtergrond of cultuur kan bij de verklaring dan ook geen rol spelen.

Van zo'n studeerkamer-benadering gruwt de antropoloog. Hij trekt langdurig en intensief op met steeds hetzelfde stel knapen die hem na verloop van tijd in vertrouwen nemen en dan gaat het juist wel over hun eigen cultuur. Werdmölder, een der eerste antropologen die dat bij Marokkaanse jongens in Amsterdam deed, komt met veel levensecht materiaal, maar de generalisatiewaarde daarvan is onduidelijk. Met casusposities, anekdotes en impressies kan veel worden verhelderd, maar betrouwbaar cijfermateriaal levert het niet op. Door deze werkwijze creëert de onderzoeker bovendien zoiets als zijn eigen groep om zich heen en Werdmölder bezwijkt voor de verleiding het criminaliteitsverschijnsel op te vatten als een kwestie van jeugdbendevorming.

Van Gemert, een antropoloog die hetzelfde doet in Rotterdam valt op dat er juist zo weinig samenhang in de groep bestond. Zijn stelling luidt dat de individuen zo ongedisciplineerd zijn dat ze niet tot organisatie in staat zijn. Eerder is er veel onderzoek gedaan naar selectiviteit in het optreden van politie en justitie. Misschien is het Marokkaanse criminaliteitsverschijnsel niet anders dan een self-fulfilling prophecy en het gevolg van gestaag jagen van de politie op een etnische categorie met criminele reputatie. Door sommige onderzoekers wordt die selectiviteit - overigens zonder opgave van deugdelijke redenen - glashard ontkend. Er wordt enkel geselecteerd op grond van de ernst van het misdrijf en klassejustitie naar etnische afkomst komt in Nederland niet voor, menen zij.

Daar staat een verpletterende hoeveelheid bewijsmateriaal tegenover, zowel binnen Nederland als daarbuiten vergaard, waaruit wel degelijk blijkt dat bij alle stappen in de strafrechtsketen selectiviteit naar etnische afkomst op kan treden. De moeilijkheid is evenwel dat de aard en de omvang van de criminaliteit in de verschillende allochtone en autochtone categorieën zo van elkaar verschillen dat je niet precies weet in hoeverre politie en justitie op dezelfde criminele feiten reageren. Selectiviteit speelt waarschijnlijk wel een rol, maar het blijft onduidelijk of het effect op de geproduceerde criminaliteitscijfers groot is of klein.

De moeilijkheden bij het interpreteren van zulke uitkomsten zou nog meevallen als ze allemaal op hetzelfde betrekking hebben, maar dat doen ze niet. Alle onderzoeksresultaten weerspiegelen de theoretische preoccupatie of de politieke voorkeur van de auteurs. In de sociale wetenschappen is dat toch al een probleem, maar als het over zo'n beladen zaak gaat als misdaad, dan wel in het bijzonder. Onderzoekers hebben de neiging om hun eigen voorkeur (of die van hun opdrachtgever!) zowel in de onderzoeksopzet als bij de analyse van het gevonden materiaal in te bouwen. Een mooie uitweg zou zijn om over een en hetzelfde onderwerp twee plausibele veronderstellingen te formuleren, die zo zijn gekozen dat ze elkaar uitsluiten. Als de een waar is, kan de ander dat niet zijn. Dit 'weddenschapsmodel' van redeneren is op het onderwerp van de Marokkaanse criminaliteit nog niet toegepast.

JEUGDCULTUUR

En zo is een veelheid van verklaringen in omloop gekomen die allemaal typisch behoren bij bepaalde auteurs en de tradities waarbij zij onderzoek doen. Sommige integratie-sociologen beschouwen het criminele gedrag van Marokkanen als een tweede-generatie-immigranten-probleem. De ouders leven met het perspectief op terugkeer en sparen hun geld voor een toekomst in Marokko. Hun kinderen concurreren met klasgenoten die voldoen aan de eisen van de moderne jeugdcultuur en die daartoe door hun ouders materieel in de gelegenheid worden gesteld. Bij hen is dat niet zo. De uitkomst: Marokkaanse jongens die van hun vader geen zakgeld krijgen om fatsoenlijke Nikes aan te schaffen, gaan uit stelen om ze te kunnen betalen.

Zelf ben ik in mijn publicaties over het onderwerp geneigd om ter verklaring van crimineel gedrag te kijken naar de sociaal-economische positie van de groep waarin het voorkomt (die is voor Marokkanen ongunstig) en naar de moeilijkheden voor jongens uit etnische minderheden om een conventionele carrière op te bouwen als zij tegen rasdiscriminatie aanlopen. Andere auteurs zijn geneigd bij het verklaren van criminaliteit altijd meteen te denken aan het slecht functioneren van het gezin. Zo meent prof. Junger-Tas te Leiden dat de lange afwezigheid van vader die elders gastarbeid heeft verricht, de oorzaak vormt van ontwrichting in het gezin en daarmee van crimineel gedrag.

Weer anderen zoeken de oorzaak in de culturele achtergrond van de betrokken groep. In een recent boekje voor het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum van het Ministerie van Justitie over Criminaliteit en etnische minderheden wordt de allochtone misdaad toegeschreven aan de schandecultuur en de traditioneel collectivistische gemeenschap die niet past in de 'postindustriële westerse samenleving geëvolueerde normbesef en rechtsbewustzijn'. Die opvatting komt dicht bij de interpretatie van de aanhanger van de sociologie van Norbert Elias: Paul Kapteyn, die van oordeel is dat mensen afkomstig uit een lager niveau van beschaving en van externe sociale controle, niet goed kunnen functioneren in de hoogstaande cultuur van Nederland waarbinnen menselijke betrekkingen worden gereguleerd door innerlijke zelfbeheersing. Voorts zijn er geografen (De Mas) die de criminaliteit in verband brengen met de sociale tradities van het gebied waar de migranten vandaan komen. Meer dan driekwart van de Marokkanen komt uit het Rif-gebergte waar de vrijgevochten bevolking een indrukwekkende traditie van smokkel, piraterij en (tegenwoordig vooral) van hasj-cultuur hooghoudt.

COME BACK

Ook de biologische verklaring van criminaliteit maakt een voorzichtige come back. Ze zijn van twee soorten: bij de eerste worden invloeden van de omgeving verantwoordelijk gesteld, bij de tweede gaat het om aangeboren, erfelijke eigenschappen. Hans Blomsma, die in Amsterdam jarenlang Marokkaanse jongens met hulp en raad terzijde staat, schrijft in een advies over de beteugeling van de Marokkaanse criminaliteit aan minister Dijkstal dat hem is opgevallen dat Marokkaanse moeders geen raad weten met het assortiment voedingswaren dat in Nederlandse winkels te koop is. Zij koken daardoor slecht - groenten worden urenlang tot moes gekookt - en dat heeft een ongunstige invloed op de gezondheid van kinderen waarvan sommigen dan tot criminaliteit vervallen. Er missen nog een paar stappen in de redenering, maar de gedachtengang is duidelijk.

De erfelijkheidsverklaring is afkomstig van prof.dr. J. Michon, psycholoog en in Leiden hoogleraar in de criminologie en rechtsbescherming. De Marokkanen in Nederland hebben nomadische voorouders, stelt hij, en daarvan is bekend dat zij gemiddeld meer seratonine (een neurotransmitter) in hun lichaam meedragen. Zo'n hoog niveau leidt tot impulsief gedrag en dat geeft op zijn beurt weer aanleiding tot hogere criminaliteit. Ook Michon heeft nog wel het een en ander te bewijzen. Zijn de gastarbeiders en hun kinderen werkelijk afstammelingen van nomaden? De Berbers, die onder de gastarbeiders in de meerderheid waren, zijn dat, voorzover ik weet, nu juist niet. Welke etnologische analyse van stamverbanden ligt aan Michons bewering ten grondslag? Zijn de seratonine-niveaus van Marokkanen in Nederland inderdaad hoog? De eerste generatie van Marokkaanse mannen en vrouwen toont minder criminaliteit dan het Nederlandse gemiddelde, de tweede generatie van mannen veel meer. Die seratonine heeft kennelijk een hele generatie overgeslagen. Op welke biochemische metingen baseert Michon zich? Als de veronderstelling juist zou zijn, moet impulsiviteit tot agressief gedrag leiden. De delictsspecifieke criminaliteitscijfers van Marokkaanse jongens tonen evenwel juist relatief veel vermogensdelicten.

Zoveel is duidelijk: het geheim van de criminaliteit van Marokkaanse jongens is nog niet opgelost.