LAVEREN TUSSEN ERNST EN PLEZIER

Een talentvolle zwemmer gaat door het leven als een avontuurlijke jongen. Soms begrijpt Pieter van den Hoogenband (19) zelf niet waarom hij zo snel zwemt en ophef wordt gemaakt over zijn prestaties. Over uitdagingen en spanningen oproepen.

Zijn houding heeft veel gemeen met de onverschillige houding die jongens van zijn leeftijd aannemen. Topzwemmer? Tweemaal vierde op de Olympische Spelen temidden van de snelste waterratten ter wereld? Nou en. Over drie jaar op de Olympische Spelen een medaille? Ja, graag. Dat nog wel. Maar de betrekkelijkheid van zijn aanwezigheid op aarde proberen in te zien blijft toch een talent dat Pieter van den Hoogenband graag aanwendt om zijn verlegenheid en diepere gevoelens te verbergen. Andere mensen, ouders, vrienden, sportbestuurders en andere betrokkenen zien schijnbaar meer in hem dan hijzelf. Maar misschien durft hij domweg niet te zien wat voor een bijzonder talent hij heeft.

“Neem nou de Olympische Spelen van vorig jaar. Ik had me er zoveel van voorgesteld. De kriebels zou ik er van moeten krijgen, zei mijn vader die als ploegarts van de waterpoloërs de Spelen van Barcelona had meegemaakt. 'Jongen, je gaat wat beleven.' En ik stelde me er ook veel van voor. Het zou een droom worden die ik nog nooit had beleefd. Als jongetje keek ik graag naar de televisie wanneer de finale van de 100 meter vrije slag werd gezwommen. Prachtig en opwindend vond ik dat: die prachtige snelle mannen, die spanning. En toen ineens stond ik zelf in die finale. Vijftienduizend mensen op de tribune, miljoenen tv-kijkers, nerveuze mensen, veel drukte eromheen. Maar toch voelde ik niet wat ik had moeten voelen.”

De herinneringen aan dit bijzondere moment staan hem nog helder voor de geest. Alsof het een vreemde droom is geweest die nooit meer terugkeert. “Ik zat daar op mijn stoeltje te wachten op het sein om naar het startblok te gaan. Aan de overkant van het zwembad zag ik de zon die langzaam onderging, een hele grote rode zon, zo mooi. 'Zo Pietje, dit is het leven', zei ik tegen mezelf en ik droomde langzaam weg. Met datzelfde gevoel dook ik even later het water in. Zonder te beseffen waar ik mee bezig was, zwom ik. Het ging heerlijk, het was een genot. Toen ik aantikte en op het scorebord keek zag ik dat ik 49,13 had gezwommen. De vijfde tijd die ooit door een man op de wereld was gezwommen! Ongelooflijk! Op een fractie van een seconde na had ik de bronzen medaille gemist. Ik had dus best nog harder gekund.”

Maar het gevoel van 'is dat het nou?' zou in Atlanta over hem blijven heersen. Pas toen hij op nog geen honderd meter van de finish in het atletiekstadion Michael Johnson op zijn gouden schoenen zag hardlopen en triomferen, maakte hij kennis met een olympische droom. En pas toen hij getuige was van de triomf van het Nederlands volleybalteam rilde hij van emotie. “Mijn wedstrijden waren gewoon wedstrijden van een of ander toernooi. Ik voelde geen spanning. Ik was ontspannen. Ik hoefde niet te winnen. Pas toen ik terug in Nederland kwam, merkte ik aan de opwinding van de mensen dat ik wat teweeg had gebracht. Toen besefte ik dat ik aan de Olympische Spelen had meegedaan. Misschien als ik in 2000 in Sydney start dat ik dan wel spanning voel. Want dan moet en zal ik een medaille halen.”

Zwemmer zijn van wereldformaat mag dan in Nederland reden zijn voor enige ophef, Pieter van den Hoogenband kan zich niet echt opwinden over zijn status. “Als ik nou een basketballer was, zoals Michael Jordan of Scottie Pippen, of een goede voetballer. Maar wat is een zwemmer? Ik vind andere sporten veel leuker om te zien. Ik heb alle wedstrijden van de Chicago Bulls in de play-offs op video opgenomen. Dat vind ik fantastisch. In Atlanta ben ik naar het Dream Team wezen kijken, man, dat was zo sensationeel. Dat stel ik me bij sport en sportsterren voor. Bij zwemmen niet.”

Naarmate het gesprek aan de rand van het ouderlijk zwembad vordert, begint hij voorzichtig zijn verontschuldigingen aan te bieden voor zijn onverschilligheid. De tijd van de ontwapening breekt aan. “Als je zo hard hebt gewerkt en zo intensief hebt toegeleefd naar de Spelen, ga je je er te veel van voorstellen. Dan moet het de hemel zijn waarin je belandt als je zo lang in de hel hebt geleefd. Want het zijn zware tijden geweest. Vooral geestdodend. Elke ochtend om vijf uur op om te gaan trainen. Vooral in de winter was het erg. Dan was het donker, of vroor en sneeuwde het. Dan reed ik op mijn brommertje naar het zwembad. Verkleumd en nog krom van de kou dook ik in het water. Om half acht klom ik er uit, ging thuis eten en om half negen zat ik op school. En 's middags en 's avonds weer trainen. De voetballers van PSV die ik goed ken omdat mijn vader daar clubarts is, zeiden wel eens dat ik een mafkees was. En dat was ik. Ik heb me vaak afgevraagd of dit het allemaal wel waard was.”

Het was een heerlijk gevoel na de Spelen niets meer te moeten. Met volle teugen genoot hij tijdens zijn vakantie in de Verenigde Staten van zijn vrijheid en at, dronk en leefde hij er op los. “Budweisers en Big Mac's, ik kon er niet genoeg van krijgen. Binnen twee weken was ik tien kilo aangekomen.” Thuis bleef hij doorgaan met het zoete leven. “Ik was helemaal leeg van die spanningen. Op school ging het heel slecht; en ik had al zo'n grote achterstand opgelopen. Ik was er met mijn hoofd gewoon niet bij. Gelukkig hadden mijn ouders en mijn trainer begrip. Ze konden wel begrijpen dat ik zo uitgeput was. Mijn ouders zeggen altijd dat ik moet sporten voor de lol. En zodra de lol er af is, moet ik stoppen. Maar ja, ik had me nog wat voorgenomen als zwemmer. Ik kon nu niet meteen stoppen.”

Overmand door twijfels trok hij zich terug in zichzelf. Bijna alles liet hij aan zich voorbijgaan. “Op school was ik het aan het verknallen. Zwemmen was niet leuk meer. Ik wilde uitgaan en plezier beleven. Maar ergens in mijn hoofd speelde ik met de gedachte dat ik iets met mijn talent moest doen. Mijn vader hield me voor dat ik regelmaat in mijn leven moest terugkrijgen. Daarom ging ik een paar keer in de week zwemmen en zo behield ik ook nog een beetje basisconditie. Dat vet op mijn lijf was natuurlijk ook niet zo mooi.”

Ruim een half jaar zwom hij laverend tussen ernst en plezier. Een paar maanden geleden begon hij langzaam weer gedisciplineerd te trainen. Er wachtten immers een paar toernooien waarin hij diende aan te tonen nog steeds een topzwemmer te zijn. Voor de Europese kampioenschappen in de zomer en vooral voor de wereldkampioenschappen in Australië van komende winter moest Van den Hoogenband zich nog wel even waarmaken. Op een toernee in Zuid-Europa bleek dat hij het nog allerminst verleerd was. Zonder noemenswaardige training kon hij nog heel goed meekomen. Dit weekeinde zwemt hij op de Nederlandse kampioenschappen. Maar verwacht niet veel. “Ik doe mee voor mijn sponsors en omdat ik er hoor te zijn. Dat is alles. Mijn trainer Jacco Verhaeren heeft me gewaarschuwd niet ineens alle remmen los te gooien. Dat kan nooit goed zijn.”

Zorgen maakt hij zich nog wel, vooral over zijn schoolprestaties. Dat wil maar niet. Op z'n minst een diploma VWO moet hij toch kunnen halen, weet hij. De zwemsport biedt hem geen mogelijkheden voor een maatschappelijke loopbaan. “Zo leuk vind ik zwemmen ook niet. Ik wil zo graag iets leuks doen als ik na de Olympische Spelen in Sydney stop met zwemmen. Medicijnen studeren of zo, zoals mijn vader. Ja, stoppen, dan ben ik 22, dan heb ik het wel gehad. Ik zou het daarna niet nog een keer kunnen opbrengen. Van Sydney verwacht ik veel. In Atlanta was ik een nobody, in Sydney ben ik kanshebber.”

De vraag waarom hij een topzwemmer is geworden en geen topvoetballer of topbasketballer (hij is 1 meter 93), houdt hem vaak bezig. Voetballen kan hij niet, daarover kan geen misverstand bestaan. “Toen we nog in Maastricht woonden, voetbalde ik samen met Boudewijn Zenden. We waren acht. Ik kon er niks van. Alle ballen werden naar Boudewijn gespeeld. Die liep dan met de bal het hele veld over, iedereen voorbij en scoorde. Omdat mijn ouders vrienden waren met die van hem ging ik ook op judo bij Boudewijns vader. Zo heb ik geleerd een val te breken. Dat is wel eens van pas gekomen als ik in de winter met mijn brommer onderuit ging. Maar in judo en voetbal was ik echt geen ster.”

Hij ging even hockeyen, omdat zijn ouders vonden dat hij aan een teamsport moest doen om sociale vaardigheden te leren. Dat hockeyen ging wel aardig, maar zwemmen kon hij beter. Toen hij vier jaar was had hij al de diploma's A en B behaald. Vreemd was dat niet. Zijn moeder (Astrid Verver) was immers een talentvolle zwemster geweest. Het gezin verhuisde in het spoor van vader Cees-Rein naar Geldrop, waar zijn moeder zwemtrainster werd. Pieter ging eens mee met zijn moeder en toonde meteen zonder noemenswaardige inspanning hoe een borstcrawl en een vlinderslag gezwommen moesten worden. “Ik keek hoe het moest en deed het precies na. Zoiets noemen ze een natuurtalent, nietwaar?”

Zo groeide Pieter van den Hoogenband uit tot een topzwemmer. “Waar je goed in bent, doe je met plezier.” Maar als het plezier verdwijnt, kwijnen ook de goede dingen weg. Het is nu of hij overhoop ligt met zijn talent, het talent dat hem opgedrongen lijkt. Zoals hij zich telkens moet prikkelen om het beste uit zichzelf te halen en spanning moet creëren om topprestaties te leveren. “Ik tart graag het noodlot. Ik kom laat naar de start, als iedereen al ongerust is geworden. Niet bewust. Maar zo ben ik nu eenmaal. Pas wanneer ik iedereen op de kast heb gejaagd en er een conflict dreigt te ontstaan, ben ik op mijn best.”

Hij schuift zijn lange haren achter zijn oren en vertelt met een grijns op zijn gezicht hoe hij mensen zoals zijn vader tot wanhoop kan drijven, wanneer hij weer eens niet op tijd aan de start komt. “Laatst voor een wedstrijd werd ik gemasseerd. Terwijl ik daar zo lag, zag ik op de televisie zwemwedstrijden. Ik zie jongens het zwembad binnenlopen en denk: verrek, dat is mijn wedstrijd. Moest ik hals over kop naar het zwembad. Iedereen wordt zo gek van mij. Alleen mijn trainer weet hoe ik ben. 'Laat maar, die komt wel.' Die weet dat je mij niet onder druk moet zetten.”

Niet alleen anderen daagt hij uit, ook zichzelf. “Ik heb altijd een houding gehad van: laat ik eens kijken hoe ver ik gaan kan. Europees kampioen worden zonder training, bijvoorbeeld. Dat zou toch mooi zijn?” Maar hoe zit het nu met dat masker dat hij niet wil afzetten? Alleen op basis van door zijn moeder geschonken talent zijn toch geen wereldprestaties te leveren? “Ho, ho”, stribbelt hij tegen. “Ik zeg niet dat ik zo goed ben omdat ik zoveel aanleg heb. Zonder wilskracht haal je niet de top. Ze moesten eens weten wat ik ervoor heb gedaan. Ik relativeer graag, dat is het. Ik vind het best mooi dat ik zo goed ben geworden. Maar er zijn vast wel mooiere dingen dan zwemmen op de Olympische Spelen. Of niet soms? Nou ja, misschien word ik gek van vreugde als ik in Sydney een medaille haal. Dat kan ook.”

Het gesprek wordt plotseling onderbroken door zijn moeder. Op ongeruste toon roept zij dat er meer te doen is dan praten aan de rand van het zwembad. “Het kan me verder niet schelen, maar we moeten weg, Pieter.” Zoonlief verontschuldigt zich. Hij moet naar het zwembad, trainen voor de volgende kampioenschappen. Hij zou bijna te laat komen.