Kinderen uit mislukte huwelijken scheiden later zelf ook vaker

Kinderen van gescheiden ouders lopen ruim anderhalf keer meer kans dat hun eigen huwelijk ook in een scheiding eindigt dan kinderen van ouders die niet gescheiden zijn. Dit 'erfelijke' effect van de ouderlijke huwelijksbreuk wordt veroorzaakt door de ervaring zelf van de ouderlijke scheiding en niet aan bijkomstige (mogelijke) problemen zoals het opgroeien in een eenoudergezin.

Door het voorbeeld van de ouders zouden de kinderen later minder goed in staat zijn hun relatie in stand te houden of een onbevredigende relatie sneller verlaten.

Dit concludeert de socioloog prof.dr. J. Dronkers, hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, uit een analyse van gegevens uit de Familie-enquête Nederlandse Bevolking 1992-1994 ('Zoals de ouden zongen piepen de jongen, Intergenerationele overdracht van de kans op scheiding in Nederland, Mens en maatschappij, mei 1997). Het gaat alleen om formele scheidingen van huwelijken, hetgeen mogelijk heeft geleid tot onderschatting van het aantal scheidingen omdat kinderen van gescheiden ouders vaker ongehuwd samenwonen, zo is bekend uit ander onderzoek.

Opgroeien in een eenoudergezin leidt niet tot een hoger scheidingskans. Uit de statistische analyse door Dronkers blijkt dat kinderen uit eenoudergezinnen van wie een van de ouders op jonge leeftijd is overleden géén grotere kans op scheiding lopen. Evenmin is er een verschil tussen generaties: de scheidingskans onder kinderen van ouders die voor 1923 waren geboren wijkt niet significant af van kinderen van jongere ouders (waarbij gecorrigeerd is voor het feit de leeftijd of van invloed is op de kans ooit een keer te zijn gescheiden). Volgens Dronkers is er dus geen aanleiding om aan te nemen dat 'stigmatisering' van kinderen van gescheiden ouders een rol speelt. Deze stigmatisaring is verminderd sinds het aantal scheidingen sterk is toegenomen. Andere mogelijke verklarende kenmerken van gescheiden gezinnen, zoals de inkomenssituatie, kerkgenootschap of opleidingsniveau hebben geen signicante invloed. Opmerkelijk is dat de hogere scheidingskans niet vermindert bij het ouder worden, het gaat om een duidelijk lange-termijneffect.

Uit eerdere onderzoeken naar de gevolgen van scheiding was al bekend dat het negatieve gevolgen zijn voor het welzijn van de kinderen. Dronkers concludeert dat “ouderlijke scheiding voor kijnderen meer is dan een levenscrisis ontstaan door een ingrijpende verandering en dat de schade niet alleen wordt veroorzaakt door de spanning voorafgaand aan de scheiding”. Overigens constateerde Dronkers in 1995, op basis van het Scholierenonderzoek 1994 onder 25.000 scholieren, dat middelbare scholieren die worden opgevoed door een gescheiden ouder betere schoolprestaties behalen, en ook anderszins meer meer succes hebben dan klasgenoten met ouders die ondanks veelvuldige en felle ruzie bij elkaar blijven. Als de echtelijke ruzies zich beperken tot enkele uitbarstingen per jaar, doen kinderen van deze ouders het wèl weer beter op school dan middelbare scholieren die worden opgevoed door een gescheiden ouder.