In de Europese leegte

Een korte, kleine, minzame bezetting in volle vredestijd, dat was de Eurotop, met de actieve collaboratie van politie, ambtenarij en het bevoegd gezag. De wereldleiders en doorsnee staatslieden bewogen zich achter kogelvrij glas, driedubbele dranghekken, wegversperringen en politiekordons. Dat was niet bedoeld om ze tegen hun eigen Europese burgers te beschermen, het was bedoeld om sluipmoordenaars en overvallers uit hun buurt te houden. Maar het zag er niet goed uit.

De allereerste slag hadden de terroristen aller landen al in absentia gewonnen. De gekozen leiders van Europa werden gedwongen te vergaderen bovenop de Nederlandse goudvoorraad, opgesloten in een torenkluis, omringd door een spergebied van een kilometer in het vierkant. Zij moesten de stad door met gepantserde limousines en gewapende escortes, langs afgezette routes waar straatmeubilair en fietsen tevoren waren verwijderd. (Maar de straatgekken en de dronkelappen van de Utrechtsestraat, die onder buurtprotectie staan, werden ongemoeid gelaten). Al die beveiliging werkt ook als eerbetoon, of op zijn minst als een bewijs van het levensbelang dat aan het te beschermen personage wordt toegekend. Zo ontstaat in die veiligheidszones een vacuüm waarin de ego's vervaarlijk beginnen te zwellen. Ook microfoons en camera's oefenen zo'n zuigkracht uit en veroorzaken een onderdruk waardoor de ondervraagde de woorden gewoon uit de mond floepen.

Omringd door dienstwapens en kogelvrije vesten, begroet door richtmicrofoons en schoudercamera's, met in de verste verte geen normaal mens te bekennen, verplaatsen zich de leiders van Europa. Mocht ooit blijken dat de ETA geen mensenvlees meer blieft en dat de IRA van zijn bloeddorst af is, dan zullen de staatslieden nog de veiligheidsmaatregelen niet willen opgeven, omdat ze hun nu eenmaal een zeker cachet verlenen: security is de moderne chic.

Niemand kon het helpen en velen hadden het willen voorkomen, maar de Europese top werd een getrouwe uitbeelding van de machtsuitoefening in Europa: besloten, afgeschermd en onbereikbaar.

In afgescheiden stadsdelen, langs bewaakte marsroutes, trokken ondertussen de demonstranten op. Zij moesten de machtelozen, de havelozen en de misdeelden verbeelden en dat ging hun goed af, groezelig en kreukelig van de nachten die ze in bussen en slaapzalen hadden doorgebracht. Ik zag Koerden voorbijtrekken, duizend vrouwen voorop, daarachter duizend mannen. Ik zag werklozen voortmarcheren in een urenlange optocht. Het waren meest Fransen die hun grootste grief, 'chômage', maar moeilijk konden overbrengen, omdat de term hier niet voorkomt in het eindexamenpakket. Maar de demonstranten richtten zich ook niet echt tot de omstanders. Tegen wie hadden ze het dan wel? Daar deed zich bij demonstranten een groot probleem voor. De enigen die hen zeer zeker niet zouden zien waren de machthebbers in hun torenkluis. In de omstanders die hen wel konden bekijken waren de betogers niet geïnteresseerd. Wat blijft er dan nog over? De camera. Ze waren met tienduizend zielen duizend kilometer opgetrokken voor een photo opportunity, voor sluitertijd op het tv-journaal.

Zoiets moet heel ontmoedigend zijn, je wordt er balorig van en krijgt zin in agenten sarren, een ruit stukgooien of een sierplant vertrappen. Maar waarom stond niet aan het eind van elke optocht de plaatsvervangend hoofdcommissaris van de Europese Unie met ambtsketen en echtgenote tussen de geraniums op het bordes om de petities in ontvangst te nemen? Maar zelfs dat moet de gezagsdragers te riskant geleken hebben of was hun te veel moeite.

Er is tussen de ingezetenen van de Unie en hun machthebbers niet eens een communicatiestoornis, er is geen enkele verstandhouding. De leiders bewegen zich in een luchtledig, in een vacuüm dat met de grootst mogelijke zorg van de ene coördinaat naar de andere over het subcontinent geschoven wordt, zonder dat zij ooit echt ergens op hun plek zijn. Europa is nergens. Er is niet een paleis, een plein, een poort, een standbeeld of een gedenkteken dat staat voor Europa. De Europese Unie is een kamertjeszonde, een binnenskamers, binnenbureels bedrijf dat alle openbaarheid schuwt.

De demonstranten waren met tienduizenden naar Amsterdam gekomen. En terecht. Want het leek of Europa daar heel even een plaats kreeg en een gestalte. Maar eenmaal in Amsterdam konden ze nergens heen, en dus werden ze het vacuüm ingezogen, naar de onneembare torenkluis.

De betogers hadden Europa serieus genomen, ze verwachtten dat Amsterdam een forum zou zijn voor een politiek debat onder een Europees publiek, voorbij de landsgrenzen en over de taalbarrières heen. Dat openbaar debat op Europese schaal ontbreekt en dat is het grootste tekort van Europa.

Ik woonde een bijeenkomst bij in de Oude Kerk, middenin de rosse buurt. Mijn demonstranten waren uit Spanje en Noorwegen gekomen, uit Frankrijk en Oostenrijk, ze waren nog heel jong, doodernstig, een beetje verpieterd van de lange tocht, en wat ze voorstonden was volledige werkgelegenheid zonder milieubederf. Daar werd urenlang over gediscussieerd, in het Euro-Engels zoals Noren, Fransen, Spanjaarden en Oostenrijkers zich dat nu hebben toegeëigend. Moest er revolutie komen, of toch liever niet, moesten de Denen er uit, of de Noren er maar beter in? Wat zou Rosa Luxemburg ervan gevonden hebben? Was het de schuld van het kapitalisme, of meer van het seksisme, racisme, materialisme?

Het klonk nog al eens benauwend vertrouwd, een nagalm van de jaren zestig, maar het leek ook de voorbode van iets wat nog komen moet: een Europese oppositie.