Grens tussen weiland en maïsakker aan kant van rivier is vaag

Vroeger boerenland, nu 'spontane natuur'. De Millingerwaard bij Nijmegen wordt al vijf jaar aan zijn lot overgelaten. Onlangs werden bomen en struiken geïnventariseerd. En een industrieel pakt zijn flora erbij.

'EEN NEDERLANDSE botanicus ziet meestal geen bomen. Die kijkt naar de grond”, verklaart prof.ir. H.P. van Heel. Hij baseert dat op enige ervaring want hij is bestuurslid van het Rijksherbarium/Hortus Botanicus in Leiden. Daarnaast is hij onder meer hoogleraar Milieutechniek aan de TU Delft en was hij twintig jaar directeur van de vestiging van Hoechst in Vlissingen. “Ik treed nu eens op als vriend, dan weer als vijand van Natuurmonumenten”, merkt hij zelf op. Botanicus is hij niet, zo benadrukt hij bij herhaling. Op onze wandeling in de Millingerwaard bij Nijmegen moet hij vaak in de meegenomen flora bladeren om planten te identificeren.

In het gewezen weiland en de maïsakker is naar de grond kijken geen goede manier om de bomen buiten beeld te houden. Manshoge bomen of struiken komen nog bijna niet voor, dat zie je in één oogopslag vanaf elk willekeurig punt. Maar hoevéél zijn het er? Een paar weken voor ons uitstapje met Van Heel hebben de beheerders van de Millingerwaard een groep vrijwilligers ingezet om een telling te houden. Op een koude, winderige en regenachtige ochtend laat in april verzamelde zich een tiental dapperen om in kordon de 14 hectare uit te kammen.

Exacte getallen waren niet het doel. “Als ze verdekt staan opgesteld zie je er een hoop over het hoofd”, aldus organisator Johan Bekhuis bij een meidoorn die zich in een pol brandnetels heeft verstopt. “Het is om een idee te krijgen.” De inventarisatie kampt met meer methodologische problemen. Het scannen begon steeds met de deelnemers in een rechte lijn op onderling gelijke afstanden. Maar die formatie bleek nooit lang te handhaven, door oneffenheden, door de begroeiïng zelf, en door de neiging van het voetvolk om elkaars vondsten te bekijken en bespreken. Ondanks het gure weer gebeurde een en ander met grote gedrevenheid, soms zelfs met de kapuchons af voor een beter blikveld. Een laatste moeilijkheid was dat er op sommige plaatsen zoveel op te schrijven viel, op zulk soppig papier, dat de notities later niet helemaal meer te ontcijferen waren.

De uitkomsten geven inderdaad niet meer dan een idee, en zijn vooral een ondergrens. Vaste grond onder de voeten hebben de struiken, met honderden Vlieren, ruim honderd Meidoorns en ook ruime aantallen Zwarte bessen, Hondsroos en Kornoelje. Bramen zijn niet eens in de telling opgenomen, zoveel zijn het er.

INTERESSANTE PATRONEN

Bomen (Wilgen, Esdoorns, Lijsterbes en Berk) zijn nog vrij dun gezaaid en over het algemeen wat kleiner van stuk dan de struiken. Hoe het daarmee verder zal gaan is niet zo duidelijk. Omdat ze langzamer groeien en lekkerder zijn of minder doornig, zullen ze een stuk meer last hebben van de grazers dan de struiken - wat omgekeerd ook de geringe aantallen bomen verklaart.

Er zijn interessante patronen te ontwaren. Vlieren staan bijna overal in de vroegere maïsvelden, maar in de grootste aantallen op de verhoging in het derde, meest noordelijke gedeelte, waar ze de laatste overstromingen hebben kunnen overleven. Meidoorns doen het vooral goed op het tweede stuk maïsakker, want aan de randen daarvan staan wat volwassen exemplaren die kennelijk de bron zijn van het zaad. Dat suggereert, merkt Van Heel op, dat vogelpoep niet zo'n belangrijk medium is voor de verspreiding van zaden, want dan zouden de zaailingen beter verspreid moeten zijn. Opvallend is verder dat het voormalige weiland, in de zuidpunt van het gebied, wat bomen en struiken betreft leeg blijft. De dichtbegroeide begintoestand (terwijl de maïsakkers kaal waren) heeft daar alles mee te maken. Zo zijn allerlei 'randvoorwaarden' van vroeger en nu in de huidige ontwikkelingen terug te vinden.

Het weer is Van Heel gunstiger gezind dan Bekhuis en zijn struikentellers. Op een zondag eind mei schijnt de zon en kunnen de jassen in de auto blijven. In het weiland knielt Van Heel om te beginnen bij een Akkerhoornbloem. De flora zegt dat deze thuishoort op open, zandig grond van vooral rivierduinen. De spijker op de kop, daar staan ze óók, maar dit exemplaar staat juist helemaal aan de andere kant, waar de bodem bepaald nog niet verzand is.

We vinden onder andere Boterbloemen, Akkerkers, Barbarakruid, verschillende Kamilles, Fluitekruid, Koekoeksbloem, Vijfvingerkruid en Zilverschoon. Er komen flinke pollen brandnetels voor, maar Akkerdistels vrijwel alleen op molshopen. Ook vinden we Amarant, een soort die vooral een rol vervult als pionier op kale losse grond in het eerste jaar stonden de maïsakkers vol met deze soorten. “Vroeger mocht je niet naar de Amaranten kijken”, herinnert Van Heel zich. “Dat was 'maar' een immigrant uit Amerika.”

De Paardebloemen en Bramen op het weiland ontlokken hem een andere observatie over het gilde der botanici: “Je hebt splitters en lumpers. Lumpers kijken nogal globaal naar een soort; splitters onderscheiden zoveel mogelijk ondersoorten. Paardenbloemen bijvoorbeeld planten zich meest ongeslachtelijk voort, daardoor ontstaan er soorten waar je bij staat. Splitters willen die allemaal kennen en onderscheiden. Van de Paardebloem zijn wel 250 microsoorten beschreven. Paardebloemspecialisten kunnen zich in een weiland als dit eindeloos vermaken. Dat is wat vreemd als je het vergelijkt met het tropisch regenwoud waar niet alleen veel soorten, maar zelfs hele geslachten en families nog onbekend zijn.”

De grens tussen weiland en maïsakker is vooral aan de kant van de rivier vaag;door het zand dat daar is binnengewaaid en gespoeld. Een duidelijk verschil is wel dat er weinig Brandnetels staan, noch op het verzande stuk langs de rivier, noch landinwaarts. De parasiet Groot Warkruid die de Brandnetels vorig jaar het leven zuur maakte heeft zijn werk zo goed gedaan dat het zijn eigen voedingsbodem heeft geëlimineerd. Ook nauwelijks meer Groot Warkruid dus. Wel Bijvoet, Wede, Walstro, Kantig Hertshooi, Sint Janskruid, Klis, Barbarakruid en Knopig Helmkruid. Voor de laatste wordt de flora uitvoerig geraadpleegd. Beslissend voor de determinatie is één verschrompeld meeldraadje tussen vier van normale omvang. “Scrophularium, Schurftkruid, vanwege de geneeskrachtige werking”, weet Van Heel. “De nomenclatuur is al vier keer veranderd; de heren zoeken het maar uit.”

BAUCHBOTANIE

De ontdekking van een Brede Ereprijs brengt de hoogleraar-industrieel tot een nummertje van wat hij zelf noemt 'Bauchbotanie': minuten lang ligt hij op zijn buik voor het plantje in de flora te bladeren voor hij het zeker weet. “Op rivierduinen en droge, zonnige dijkhellingen; bloeit met een kleine blauwe tros. In een Michelingids zou je zoiets twee of drie sterren geven: 'Vaut le détour' of 'Vaut le voyage'.” Ook een roze bloeiende Smeerwortel maakt hem enthousiast. “De Smeerwortel bloeit wit, blauw of paars, soms roze en een enkele keer rood. Daar is geen verklaring voor. Het gevraag 'Waartoe dient dat?' en de bijbehorende ad hoc-verklaringen, dat wordt gelukkig minder. Bauchbotanie is ook erg nuttig om kiemplantjes te bestuderen; die hebben een heel andere gedaante dan de volgroeide versie van dezelfde soort. En kleine zeldzame planten blijken dan vaak helemaal niet zo zeldzaam te zijn.”

In het tweede deel van het maïsveld is het nogal kaal waar voorheen de spoordijk naar de steenfabriek liep. Daar groeit veel Weegbree, Boterbloem en Heksenmelk. De kom nabij de plas, aan de van de rivier af gelegen kant, heeft een eigen kenmerkende 'natte' vegetatie, met Liesgras, Watermunt, Wilgenroosje, Vijfvingerkruid, Bies, Poelruit ('bloeit in pluimen met bossen gele meeldraden') en Waterranonkel, maar niet de Moerasandijvie waar Van Heel zijn zinnen op had gezet. De Galloway-runderen komen hier zo te zien vaak; hun sporen staan diep in de zompige grond.

In dit tweede stuk maïsakker beginnen de bramen een belangrijke rol op te eisen. Verder onder andere Brede Weegbree, Bitterzoet en meer Helmkruid. “Ontzettend leuk” vindt Van Heel een Grote Engelwortel. De soort is in 1934 voor het eerst in Nederland gevonden, waarschijnlijk afkomstig uit Duitsland, en heeft zich sindsdien sterk uitgebreid. “Maar ik had 'm hier niet verwacht, eerder aan een oever tussen het riet.” Hij moppert op de professionele natuurbeschermers: “Ze beschermen wat er was en vinden ordinair wat er komt. Vroeger was een reiger veel interessanter dan een ooievaar; sinds de reiger algemeen is geworden wordt hij gezien als een soort onkruid. Een collega bij het Rijksherbarium pleegt te zeggen: 'Als je iets zeldzaams tegenkomt, ruk 't uit, dan blijft het zeldzaam!'.”

Op de hellende grens tussen de tweede en derde maïsakker staat de fluitekruidachtige Peperkers en de zeldzame ('en achteruitgaande') Salie. Op de richel die langs het derde maïsveld loopt, en waar ooit de eerste brandnetels opschoten, vindt Van Heel nogmaals Poelruit. “Zorg maar dat je gradiënten hebt, dan komt de rest vanzelf”, is zijn commentaar.

RONDE WEITJES

Het derde maïsveld levert mooie plaatjes op. Overal verspreid staan kleine opvallend ronde weitjes die dicht begroeid zijn met Boterbloem of Hondsdraf. We kunnen niet verzinnen hoe die patronen ontstaan, maar het zou iets met de begrazing te maken kunnen hebben. Aalbes, Harig wilgenroosje en steeds meer Bramen. Op de verhoging tussen de Vlieren veel Teunisbloemen en talrijke Kaardebollen, met het water van de voorbije buien nog in de oksels van hun bladeren.

“Erg leuk, onvoorstelbaar dat dit er twee jaar na een overstroming zo uit kan zien”, vat Van Heel zijn dag samen. En hij stapt in de auto, op naar een werkweek bij Synerchem, een makelaardij in chemische kennis die hij in opdracht van de chemische industrie heeft opgericht.