Glottalisatie

De Britse uitspraak van de Engelse woorden apple en water verschilt van de Nederlandse woorden appel en water onder andere door een korte sluiting van de glottis, een 'reinforcing glottal closure' die voorafgaat aan de plofklank. Tot voor kort dacht iedereen dat dit een recent verschijnsel is, vooral omdat er tot ongeveer 1920 nauwelijks melding van gemaakt is.

Medewerkers van de Leidse vakgroep Engels hebben nu een aantal opnames van vóór 1930 afgeluisterd op zoek naar sporen van glottalisatie in de spraak van mensen die in de tweede helft van de 19de eeuw geboren waren. Het blijkt dat glottalisatie veel algemener was dan men zich had voorgesteld. De vraag is dus: hoe oud is dit verschijnsel?

In het Deens bestaan twee soorten glottalisatie. De ene soort hangt samen met de tonen van het Noors en het Zweeds en gaat terug tot de late middeleeuwen. De andere soort komt alleen voor in de westelijke dialecten van Jutland. Deense dialectologen zijn het erover eens dat deze glottalisatie tenminste tot de 12de eeuw teruggaat. Is dit dezelfde glottalisatie als we in het Engels vinden?

Naast glottalisatie vinden we in het hele Germaanse taalgebied allerlei onverklaarde dubbele medeklinkers, bijvoorbeeld in de Zweedse woorden voor week vecka en schip skepp, of in de Duitse woorden voor open offen en water Wasser. Hetzelfde vinden we in Noord-Engelse dialecten. Dit moet een oud verschijnsel zijn omdat we het al tegenkomen in Noord-Engelse handschriften uit de tiende eeuw, bijvoorbeeld in de woorden voor schip scipp, eten eatta en breken brecca. Het lijkt er dus op dat de glottalisatie een algemeen Germaans verschijnsel was en in allerlei gebieden tot een verdubbeling van medeklinkers geleid heeft.

De volgende vraag is of we glottalisatie ook buiten het Germaans aantreffen. Dat blijkt inderdaad het geval, bijvoorbeeld in de Letse woorden voor appel âbols en water ûdens, en evenzo in de noordwestelijke dialecten van het Litouws. Ook vinden we glottalisatie in het Armeens, bijvoorbeeld in het woord voor rivier get, dat verwant is met ons woord voor water. Men heeft altijd gedacht dat deze glottalisatie ontleend was aan naburige Kaukasische talen, waar het verschijnsel veel voorkomt. Maar dat kan niet omdat de glottalisatie hier ouder is dan bepaalde ontwikkelingen in de zuidoostelijke dialecten van het Armeens, die nooit in de Kaukasus gesproken zijn geweest. Gaan we nog verder, dan vinden we een vergelijkbare vorm van glottalisatie in het Sindhi, een Indische taal die in het zuiden van Pakistan gesproken wordt en in sommige opzichten oude kenmerken bewaard heeft.

We moeten concluderen dat de glottalisatie teruggaat op de Indo-Europese oertaal. De volgende vraag is dan of het verschijnsel nooit aandacht gekregen heeft omdat de alfabetten van het Grieks en Latijn geen mogelijkheid boden om het aan te geven. Zijn er in het Grieks en in het Latijn ook sporen van glottalisatie te vinden? De eerste klinker van het Griekse woord voor twintig eíkosi, die ontbreekt in de West-Griekse vorm wíkati, kan waarschijnlijk op een glottalisatie herleid worden. Het verschil tussen de lange klinker in het Latijnse woord voor twintig vígintí en de korte klinker in het Oud-Ierse woord fiche wijst ook op een glottalisatie. Zo komen we via Oost-Europa, het Midden-Oosten en Zuid-Azië weer terug in het uiterste westen van het Indo-Europese taalgebied.