Diepgang, humor en eenzaamheid in een niemandsland

Voorstelling: April (1864-1889), door De Federatie. Tekst. Peer Wittenbols, regie: Rob Ligthert. Decor: Matt Vermeulen; kostuums: Dorien de Jonge. Spel: Hans Hoes, Erik de Visser, Remco Melles, Monic Hendrickx, Anne Martien Lousberg. Gezien: voormalig ETC/Sphinxgebouw, Maastricht. T/m 5/7 aldaar; daarna op diverse zomerfestivals.

Het toilethuisje in de voorstelling April heeft saloondeurtjes die luidruchtig dichtklappen als er weer eens iemand achter verdwijnt. Hier trekt men zich terug om te onaneren of om zomaar een potje te mokken. Andere mogelijkheden om alleen te zijn biedt het gehucht waarin dat huisje staat de vier bewoners niet. Ze zitten er op elkaars lip, want de eenzaamheid omsluit het gat als een kordon.

Het gaat slecht met sheriff Veertigbier, met zijn halfbloed dochter Hank, met hoefsmid Wekker en met Durk, de paardentemmer. Werk hebben ze niet omdat de paarden als vliegen sterven. In het decor van Matt Vermeulen groeien paardebenen als lange grafstenen uit de grond; droefgeestig wijzen hun hoeven hemelwaarts. 'O heer, ik kan niet meer', prevelt een der bewoners terwijl hij naar die lege hemel staart.

Maar dan gebeuren er vreemde dingen. Een indringer blijkt het gehucht te bestelen en men opent plechtig de jacht op de vreemdeling die zich niet zomaar laat vangen. Het ten slotte toch aangeschoten stuk wild is - een vrouw. April heet zij, en met haar schoonheid, de sterke schoonheid van een stervende, wekt zij ieders verlangens.

April is een relatiedrama in de vorm van een western. April heeft alles wat eerdere produkties van de getalenteerde jonge theatergroep De Federatie ook hadden: het heeft sfeer, het heeft diepgang, het heeft humor. Die dingen zijn hier nu eens niet op hun sterkst is in de compacte, laconieke, licht-absurdistische tekst van huisschrijver Peer Wittenbols, maar in de stomme scènes.

Alleen al de bonkige, schevige loopjes van de vijf daar in dat niemandsland verraden hun eenzaamheid; hun bewegingen zijn lachwekkend sloom maar soms vervuld van een heftig oplaaiende hoop. En als April zich tergend langzaam van haar dikke laag vodden ontdoet is dat niet terwille van het obligate striptease-nummertje-op-het-podium. Nee, met haar lichaam wil zij verwarren: onder haar ene roomwitte borst prijkt een gapende wond.

De enige smet op deze liefdevolle regie van Rob Ligthert is de zo nu en dan slechte verstaanbaarheid. Wij zitten aan de ene kant van een zolderverdieping, de zolder van een prachtige oude fabriek, terwijl de acteurs aan de andere kant van het open trapportaal bezig zijn. Ze spelen achter een balustrade die het isolement van hun personages versterkt. Dramaturgisch gezien is dat een mooie vondst, maar niet alle acteurs kunnen de afstand met hun stem overbruggen. En daardoor valt - zo was het althans tijdens de première - een deel van de spanning weg.