Diep en breed

De messen zijn geslepen: de dans om het gouden kalf van de Dieptestrategie is begonnen. Tot 31 mei konden onderzoekscholen of groepen onderzoekers uit onderzoekscholen zich aanmelden bij NWO als kandidaat voor een plakje van drie tot tien miljoen per jaar uit de worst van honderd miljoen die de Nederlandse onderzoekers wordt voorgehouden als resultaat van het bizarre compromis dat vorig jaar zomer werd bereikt tussen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, NWO, de KNAW en de VSNU.

Dat compromis hield in dat de Nederlandse universiteiten uit hun middelen honderd miljoen zullen vrijmaken ter ondersteuning van de absolute toppen van het Nederlandse onderzoek (te verdelen door NWO) en dat ze nog eens honderd miljoen binnen hun eigen budgetten zouden vrijmaken voor de al even absolute toppen van het onderzoek binnen hun eigen instelling (door hen zelf te verdelen - maar daarvan horen we nog niet zoveel). Het eerste honderd miljoen werd getooid met de fraaie naam van Dieptestrategie, het tweede honderd miljoen werd getooid met de naam van Breedtestrategie. Om nieuw geld gaat het niet: ook deze worst is voor de instellingen weer een sigaar uit eigen doos, tenzij men er natuurlijk van uitgaat dat de Nederlandse universiteiten er in slagen om jaarlijks voor tweehonderd miljoen aan waardeloos onderzoek te verknapbussen dat eerder vroeg dan laat moet worden afgeschaft.

Op het beleid dat uiteindelijk geresulteerd heeft tot dit compromis valt natuurlijk niet zoveel aan te merken maar de weg naar de hel is wel vaker geplaveid geweest met goede voornemens. Het helderst en het duidelijkst zijn op dit terrein de adviezen van de Adviesraad voor Wetenschap en Technologie (AWT). In Nederland wordt het publiek gefinancierde onderzoek vooral verricht aan de universiteiten. De hoofdmoot van de financiering komt uit de eerste geldstroom, de algemene middelen van de universiteiten. Een veel kleiner gedeelte van de middelen komt binnen via de tweede geldstroom, subsidies van NWO. (Voor sommige sectoren van het onderzoek zijn daarnaast de derde geldstroom (opdrachten van bedrijfsleven en overheid) en vierde geldstroom (collectebusfondsen) van belang, maar daar heeft het ministerie van OC en W niet zoveel over te zeggen, eigenlijk helemaal niets).

Als men vindt dat er sprake is van onvoldoende sturing of kwaliteitscontrole in het universitaire onderzoek zou men met de AWT moeten pleiten voor een systeem waarin eerst wordt vastgesteld wat de minimale hoeveelheid onderzoek zou moeten zijn waarover universiteiten dienen te beschikken om hun primaire taak, het opleiden van academici en onderzoekers (de universiteiten zijn immers instelling van hoger onderwijs) uit te kunnen voeren. Alle overige middelen voor onderzoek moeten vervolgens door de onderzoekers in open competitie worden verworven, via welke geldstroom dan ook. De implicatie van dit voorstel is natuurlijk dat een veel groter bedrag dan honderd miljoen door de universiteiten moet worden vrijgemaakt en naar NWO of een soortgelijke organisatie moet worden overgeheveld.

Als alpha vind ik ook daarom het AWT standpunt zo sympathiek omdat ik mij niet kan voorstellen dat de gemiddelde onderzoekstijd voor geesteswetenschappers binnen de universiteiten nog verder beknot zou kunnen worden. Aan mijn eigen Leidse letterenfaculteit is de norm voor onderzoekstijd in principe teruggebracht tot vijfhonderd uur per jaar, wat inhoudt minder dan dertig procent van de werktijd, en zelfs dat aantal uren is in vele gevallen een vrome fictie. Voor de geesteswetenschappen zou verruiming van de middelen in de tweede geldstroom dus alleen maar positief kunnen zijn. Bovendien spreekt de AWT zich niet uit over de omvang van de projecten die aan een dergelijke competitie mee mogen doen. De AWT huldigt blijkbaar het verstandige uitgangspunt dat de onderzoekers zelf het beste weten wat de optimale omvang van hun project moet zijn en dat dus zowel de wetenschappelijke keuterboer van Van Os als de multinational van de astronomen bij gebleken kwaliteit en zinnige projecten een kans moeten maken op extra geld.

Maar tusen droom en daad staan gevestigde belangen. NWO wilde graag, enterecht, meer geld want NWO blaakt van het zelfvertrouwen dat ze dat geld op een betere manier kan verdelen dan de universiteiten. De universiteiten wilden (en willen) geen geld afstaan want ze moeten al zulke grote bezuinigingen verwerken, al was het maar door de nog steeds dalende studenteninstroom. De universiteiten denken trouwens dat zij dat geld ook wel heel goed zelf kunnen verdelen. En dan is er nog het Ministerie dat nu al jaren lang het liefste zou zien dat er dapper wordt gekozen en dus zoveel mogelijk geld verdwijnt naar zo weinig mogelijk groepen, om het platte Hollandse landschap van al te grazige weiden bij toverslag te transformeren in een kleine Himalaya van mondiale toppen - en dat alles nog voor de eerstvolgende verkiezingen.

Dat vorige zomer een bestuurlijk compromis werd bereikt is natuurlijk een hoogstandje van Nederlandse realiteitszin bij alle betrokkenen. Maar de aldus verwekte boreling is wel een monster waar niemand gelukkig mee kan zijn. Iedereen houdt zich vanzelfsprekend groot voor de ander en de buren maar binnenskamers wordt er heel wordt afgemopperd. Ik zelf moet de eerste collega nog tegenkomen die opgetogen is over het compromis en de uitwerking daarvan. Natuurlijk, er zijn genoeg mensen die zelf graag in de prijzen willen vallen en ook vinden dat ze in de prijzen moeten vallen met hun groep. We worden immers betaald om excellent te zijn en de meesten van ons zijn ijdel genoeg om nog te denken ze het zijn ook.

Ook als het blijkbaar onmogelijk is om extra middelen vrij te maken voor wetenschappelijk onderzoek en ook als men het onvermijdelijk acht om verschuivingen aan te brengen binnen het bestaande patroon, kan men zich afvragen of het niet mogelijk is de nu door de universiteiten vrij te maken middelen op een effectievere wijze in te zetten. Voor de geesteswetenschappen zou ik het wel weten. Al in 1994 heeft de Subcommissie Bibliothecaire Voorzieningen van de Commissie Geesteswetenschappen van de KNAW een uitvoerig rapport opgesteld onder de titel Het verstoorde evenwicht waarin de noodklok werd geluid over de bibliothecaire voorzieningen in Nederland. Daarin werd berekend dat voor het op peil brengen en houden van de Nederlandse wetenschappelijke bibliotheken op jaarbasis 25 miljoen nodig zou zijn. Het rapport heeft geleid tot een Advies van de KNAW en een aantal bestuurlijke schijnbewegingen maar vooralsnog niet tot meer geld voor de bibliotheken.

Het Nederlandse geesteswetenschappelijke onderzoek presteert, ook naar mondiale maatstaven, goed tot uitstekend. De kwaliteit, en ook de productiviteit, van de geesteswetenschappen hangen echter ten nauwste samen met de kwaliteit van het nog altijd belangrijkste apparaat en laboratorium van de geesteswetenschappen, de bibliotheek. Een verbetering van dat apparaat door een structurele ophoging van de bibliotheekbudgetten komt het gehele terrein van de geesteswetenschappen en aanpalende gebieden nu en tot in lengte van dagen ten goede, niet alleen omdat betere bibliotheken leiden tot beter onderzoek maar ook omdat het Nederland als plaats van onderzoek aantrekkelijker maakt.

NWO zal een commissie van twaalf instellen die zich over de in het kader van de Dieptestrategie ingediende voorstellen zal buigen en een selectie zal moeten maken. In mijn dromen zie ik voor me hoe dit twaalftal, geconfronteerd met een embarras du choix, na diepe en brede deliberatie het wijze besluit neemt om het Algemeen Bestuur van NWO, de hele VSNU en de minister te adviseren om het geld niet te steken in luchtballonnen die kleine groepen naar eenzame hoogten moeten tillen, maar in infrastructurele voorzieningen die grote vakgebieden ten goede komen, om te beginnen de bibliotheken. Goede basisvoorzieningen trekken vanzelf de goede mensen aan maar duurbetaalde primadonna's worden weggekocht - of zijn hun geld niet waard.