De norm van Nuis

IN DE NEDERLANDSE muziekwereld is al enige tijd een debat gaande over de manier waarop staatssecretaris Nuis het Nederlandse muziekleven tracht te bevorderen. De bewindsman wil bereiken dat Nederlandse orkesten en ensembles meer werk van Nederlandse componisten uitvoeren, en heeft daartoe de '7-procentnorm' ingesteld.

Zeven procent van de tijd dat gesubsidieerde orkesten op het podium vertoeven, dienen zij het werk van Nederlandse componisten te spelen. Bijna de helft van die tijd (ten minste drie procent van de totale speeltijd) moet het werk van nog levende Nederlandse componisten ten gehore worden gebracht.

De staatssecretaris had dat voornemen vorig jaar terloops in zijn cultuurnota 'Pantser of Ruggengraat' kenbaar gemaakt, maar het werd snel duidelijk dat hij het ook in de praktijk wil brengen. Zo kreeg het Concertgebouworkest al in september van het vorig jaar te horen dat het kon rekenen op een rijkssubsidie van bijna 21 miljoen gulden voor de komende vier jaar, maar in dezelfde beschikking meldde de staatssecretaris dat hij vasthield aan de 7-procentnorm. Nuis zei erbij welk sanctiemiddel hem voor ogen stond als de zeven procent niet gehaald zou worden: inhouding van 5 promille subsidie voor elk procentpunt onder de norm. Gegeven het feit dat het orkest het komende seizoen niet meer dan 1,33 procent Nederlandse muziek speelt, kan het bestuur van de stichting de balans al opmaken: dat gaat ongeveer anderhalve ton kosten.

Het Concertgebouworkest ging in beroep en kreeg van de Commissie voor de Bezwaarschriften gelijk. Nuis weet echter niet van wijken. Deze week liet hij het bestuur van de stichting weten dat de wet hem nu eenmaal de bevoegdheid geeft subsidievoorwaarden te stellen, en dat hij daarom aan de 7-procentnorm wenst vast te houden.

HET BESTE WAT van deze plannen gezegd kan worden is dat er een goede bedoeling achter zit. Het is zuur dat de opdrachten en beurzen voor hedendaagse componisten die het Fonds voor de Scheppende Toonkunst verstrekt wel leiden tot menige wereldpremière, maar niet tot een geregelde uitvoeringspraktijk. Het is goed dat de staatssecretaris zich daar zorgen over maakt. Maar wanneer hij aan de orkesten een quotum oplegt, overschrijdt hij een regel die een van de fundamenten van het zo kwetsbare kunstbeleid vormt: de regel dat de overheid zich uiterst behoedzaam moet gedragen zodra het om de inhoud van de kunst gaat.

Het argument dat het hier toch om herscheppende kunst gaat en dat de ingreep dus maar zeer marginaal is, is niet erg sterk. Orkesten voeren een artistiek beleid en programmering is daar een wezenlijk onderdeel van. In de tijd dat met de sponsoring van orkesten een voorzichtige start werd gemaakt, wierp menigeen de bange vraag op of de bier- en sigarettenfabrikanten zich nu ook met de repertoirekeuze zouden gaan bemoeien. Die angst bleek ongegrond, maar waar de commercie terughoudend bleef, daar heeft de overheid nu blijkbaar minder scrupules.

Het is niet erg waarschijnlijk dat de orkesten een suggestie van een briefschrijver in deze krant zullen volgen en elk optreden zullen besluiten met het demonstratief spelen van het Wilhelmus. Maar het is te voorspellen waartoe handhaven van de norm uiteindelijk wel zal leiden. Er zullen orkesten zijn die de richtlijn soeverein negeren en liever wat minder subsidie krijgen dan dat ze zich voegen naar de 7-procentnorm. Andere orkesten en ensembles zullen eraan voldoen omdat ze door een korting in moeilijkheden zouden komen. Dat heeft tot gevolg dat dirigenten en musici Nederlandse stukken voortaan met gemengde gevoelens zullen instuderen, en dat het publiek het onbehaaglijke gevoel zal krijgen dat het hier kunst betreft die moest. Dan zullen er ook orkesten en ensembles zijn die toch al Nederlandse muziek op het repertoire hadden, maar die vrije keus straks zien omgebogen in de verdenking dat ze onder het juk van Nuis doorgaan.

Kortom, de norm zal contraproductief werken.

Inmiddels hebben de orkesten wel duidelijk gemaakt dat ze niet ongevoelig zijn voor het argument dat het muzikale leven gebaat is bij meer uitvoeringen van Nederlands repertoire. Het zou Nuis sieren als hij dit resultaat incasseert, en de 7-procentnorm laat varen.