De milieubeweging schuift aan bij het bedrijfsleven; De groene spagaat

Na 25 jaar actievoeren is er weinig over van het confronterende karakter van de milieubeweging. De goedbedoelende activist van weleer is veranderd in een communicatiemanager. Hij sluit groene cao's af en ondertekent milieuconvenanten. “Ze dineren vaker dan dat ze vechten.”

Eugène Baggen, voormalig legerinstructeur van de commando's, vervult een interessante dubbelfunctie. Al jarenlang is hij leider van het actieteam van Greenpeace dat blokkades en rubberboottochten voorbereidt vanuit een loods in Amsterdam-Noord. Maar Baggen geeft ook milieuvoorlichting op politiescholen. Langzamerhand kent hij de agenten van de regio Haaglanden zelfs zo goed dat zij bij acties vaak met uitgestoken hand op hem af komen. 'Hé Eugène, wat kan ik voor je doen?'

Van het confronterende karakter van organisaties als Greenpeace, maar ook Milieudefensie is na 25 jaar actievoeren weinig meer over. Waar ze vroeger de luis in de pels van het establishment waren, zitten ze nu steeds vaker aan tafel met overheid en bedrijfsleven om te onderhandelen over groene cao's en milieuconvenanten. Natuur en natuurbescherming worden steeds meer gezien als economische factoren.

De actiegroepen van weleer zijn milieumultinationals geworden. Ze hebben tienduizenden donateurs achter zich staan, ze hebben managers aangetrokken uit het bedrijfsleven en ze lobbyen in Den Haag net zo hard voor hun belangen als commerciële ondernemingen. Bij een affaire als de Brent Spar trekken de rubberboten er nog wel op uit, maar bij veel andere gelegenheden is duidelijk te zien hoezeer de actiegroep van weleer is toegekropen naar gevestigde orde en de bedrijven die het bestrijdt. Zo is het accent binnen Greenpeace de afgelopen jaren steeds meer verschoven in de richting van het presenteren van milieuvriendelijke 'alternatieven' zoals de zuinige, lichte SMILE-auto - benzineverbruik 1 op 30 - en de eco-ijskast Greenfreeze.

Ex-medewerkers van de organisatie klagen nog wel eens over de consensusgerichte koers die hun opvolgers zijn gaan varen. Zo vindt Ron van Huizen, directeur van Greenpeace Nederland tot 1992 en inmiddels directeur van Terre des Hommes, dat Greenpeace is ondergegaan in de grijze massa. “Bij de sluiting van Dodewaard hield een woordvoerder van Greenpeace onlangs een verhaal dat exact gelijk was aan wat wij in 1985 al beweerden. Alleen is de opvatting dat kerncentrales onmiddellijk ontmanteld moeten worden niet meer zo bijzonder, want directeuren van energiebedrijven vinden dat ook. Ze zijn geen roepende meer in de woestijn, ze schreeuwen mee in een hele grote menigte die dezelfde boodschap verkondigt.”

Als het aan Siegfried Woldhek (directeur van het Wereld Natuur Fonds) ligt, gaan milieu-organisaties en hun gezworen vijanden uit het bedrijfsleven altijd zo amicaal met elkaar om. Eind vorig jaar riep Woldhek de milieubeweging in het tijdschrift Natuur en Milieu op om op zoek te gaan naar wat hij noemde 'niet-traditionele bondgenoten'. Immers, de financiële armslag van internationale milieu-organisaties is met 1,5 miljard per jaar veel te klein om wereldwijd bossen, neushoorns en panda's te redden. “Dat staat in geen verhouding tot wat er dagelijks wordt uitgegeven om de boel verder in de vernieling te helpen.”

Woldhek schrok er niet voor terug ook Shell en de kerncentrales - toch jarenlang de twee grootste opponenten van de milieubeweging - tot die 'niet-traditionele bondgenoten' te rekenen. “Waarom niet? Je moet júist samenwerken met de partijen die je traditioneel niet zag zitten. Want hun miljarden bepalen hoe onze natuur er straks voorstaat.”

Opklapbed

De goedbedoelende activist van weleer is overal vervangen door een communicatiemanager in blauwe blazer. Hij sluit milieudeals met Den Haag of met de captains of industry die hij nog kent uit zijn vorige loopbaan als politicus of zakenman. Een bekend voorbeeld is Ed Nijpels, voorzitter van het Wereld Natuur Fonds (WNF). Maar ook bij andere organisaties neemt het aantal ex-politici toe. Bij Natuurmonumenten is vorig jaar Frans Evers (voormalig directeur-generaal van de Rijksgebouwendienst van VROM) komen werken, Marcel van Dam zit in het bestuur van het Gelders Landschap en ex-premier Lubbers is sinds vorig jaar voorzitter van het Nationaal Comité Oceanen - waarin verder collega oud-politici als Kroes en Maij-Weggen zitting hebben. Een functie bij een natuur- en milieu-organisatie is net zo respectabel geworden als een commissariaat bij Philips. Afgelopen april presenteerde Nijpels namens het WNF, Natuurmonumenten, Natuur en Milieu, Provinciale Landschappen en de Vogelbescherming het rapport Veters Los!, een serie voorstellen om in Nederland natuurbescherming en -uitbreiding te verzoenen met de economie. Een win-win situatie. Wie het bijbehorende full colour-boek doorbladert, stuit op teksten als: 'Op dit moment is het de randstad versus het Groene Hart. Dat kan ruimhartiger. Door bij de aanleg van het tracé tegelijk een groot, waterrijk natuurgebied te laten ontstaan, gekoppeld aan woningbouw. De eerste stap naar één Groene Metropool.'

In voorstellen als Veters Los! wordt ervan uitgegaan dat de natuur, zoals Koos van Zomeren wel eens gezegd heeft, een opklapbed is. Je haalt het op de ene plek weg en een stuk verderop klap je het weer uit. Het volbouwen van het Groene Hart is in deze optiek geen ramp, want het verlies van natuur aldaar compenseert men door op een andere plek een waterrijk natuurgebied aan te leggen. Dat natuurgebied wordt straks vast gefinancierd door er toeristische excursies naar toe te leiden. Regionale VVV's ontwikkelen een nieuw streekimago met 'wildernisnatuur' en aan de rand van het nieuwe natuurgebied vestigen zich kanobedrijven, streekrestaurants en fietsenverhuurders. Voilà de 'nieuwe natuur' van Nijpels cum suis.

Als natuur een 'groene infrastructuur' is geworden die we kunnen aanleggen, volgt daaruit automatisch dat milieu-organisaties bedrijven zijn die hun product moeten slijten. Een exponent van die nieuwe denktrant is Tommy Littaur, sinds een jaar hoofd communicatie en fondsenwerving bij Greenpeace Nederland. Voordat hij bij de milieu-organisatie in dienst trad, was Littaur hoofd Communicatie bij de Bijenkorf. Zo nu en dan echoot die achtergrond nog wat na als hij over zijn nieuwe werkgever praat.

“Onze naamsbekendheid is negentig procent, net zo groot als die van Opel, de Hema en Coca Cola. Onze commercials, waarvoor ik verantwoordelijk ben, stralen dan ook niet meer dat geitenwollen sokken-imago uit. Het zijn corporate communications-uitingen, zoals bijvoorbeeld de ballerina die op een van de laatste filmpjes in de olie valt. Dat soort televisiecommercials doen we meer dan krantenadvertenties, want op televisie krijgen charitatieve instellingen 75 procent korting en in de krant maar 25 procent.” Littaur lacht. “Wilt u trouwens een sigaret? Ja, je mag hier in het gebouw officieel niet roken, maar daar trek ik me niets van aan.”

Giro-activisme

Aan de geelgeschilderde voorgevel van het kantoor van de vereniging Milieudefensie in Amsterdam hangt op twee hoog een bordje: 'Cheapest Air Fares. Malibu Travel'. Is dit de thuisbasis van de milieuactivisten die vechten tegen de ongebreidelde groei van Schiphol? Binnen moet Wijnand Duyvendak, campagneleider Schiphol van Milieudefensie, glimlachen om het bordje. “Tja, wij delen een verdieping met dat bedrijf, maar we drijven ze steeds meer naar buiten toe. We hebben al een deel van hun ruimte overgenomen.”

Op het eerste gezicht lijkt Milieudefensie tot de meer radicale actiegroepen te behoren. Half Nederland sprak er schande van toen de vereniging eind vorig jaar ballonnen met strookjes zilverpapier wilde oplaten bij Schiphol om zo het vliegverkeer tijdelijk lam te leggen. De Telegraaf suggereerde in een hetzerig artikel zelfs dat Duyvendak op een BVD-lijst had gestaan van mogelijke RARA-verdachten en dat de BVD de anti-Schiphol acties met belangstelling volgde.

Aantijgingen over milieuterrorisme wuift Duyvendak echter resoluut weg. “Absolute onzin, daar zijn ook nooit bewijzen voor geleverd.” Wel erkent hij dat Milieudefensie de burgers meer wil aanspreken op hun eigen milieuvervuilende gewoonten dan andere milieu-organisaties. De vereniging richt haar pijlen liever op het auto- en vliegverkeer dan op ver-van-ons-bed-schandalen als zeehondjes en Brent Spar. “Ons streven is dat wij met de mensen actie voeren”, licht Duyvendak toe, “en niet alleen een professioneel team hebben dat actie voert namens mensen die betalen. Minder giro-activisme, wij willen meer een grassroots-organisatie zijn.” Dat laatste vertaalt zich onmiddellijk in ledenaantallen. Waar een organisatie als Greenpeace in Nederland meer dan 600.000 donateurs heeft, blijft de teller van Milieudefensie steken bij zo'n 35.000 leden.

Maar zelfs een grassroots-organisatie is tegenwoordig niet vies meer van verregaande samenwerking met het bedrijfsleven. Milieudefensie heeft het initiatief genomen tot de oprichting van een samenwerkingsverband met zo'n tien à vijftien bedrijven en organisaties - waaronder de Rabobank, Greenpeace en Body Shop. “We stellen ons voor dat we over dertig jaar in een denkbeeldig land leven”, aldus Duyvendak, “waar we nog niet vast zitten aan de situatie en voorwaarden van nu. Vervolgens proberen we beelden te bedenken van hoe je milieu en economie met elkaar in overeenstemming brengt. We komen eens in de zes weken bijeen. Je denkt dan met die bedrijven na over hoe je een nieuwe stadswijk bouwt, maar ook over zoiets algemeens als de verhouding tussen werken en niet-werken.”

Nu de overheid zich terugtrekt en dit kabinet de voorkeur geeft aan economische groei boven milieu, valt er voor de milieubeweging meer te halen bij het bedrijfsleven dan in Den Haag. Zoals Duyvendak het zegt: “Bij een bedrijf als Heineken is meer oog voor milieu-issues dan in de politiek. Heineken heeft bijvoorbeeld heel veel te maken met water, zodat het bedrijf er ook belang bij heeft dat dat zuiver blijft. Dat betekent overigens niet dat we ons afkeren van de overheid, het is alleen maar een stimulans om te proberen de overheid op andere manieren te benaderen.”

Maar waar ligt de grens voor Duyvendak? Zou hij, net als Woldhek van het WNF, met de meest milieuvervuilende bedrijven willen samenwerken? “Over kernenergie zullen wij niet praten. En nu Schiphol geen bovengrens wil stellen aan de groei van het aantal vluchten in de komende jaren en evenmin wil praten over andere harde milieu-eisen, zie ik geen enkele reden om de handen ineen te slaan. Maar ik ben het wel eens met Woldheks pleidooi om samen te werken met niet-traditionele bondgenoten. Je vergroot je invloed en je verscherpt het debat.”

Het debat verschérpen? Groeien de standpunten door alle én-én scenario's niet alleen maar dichter naar elkaar toe? Zal het voor milieu-activisten die om de haverklap een kopje thee drinken met begripvolle managers/politici/politiekorpsen, niet veel moeilijker worden nog hard en scherp actie te voeren tegen diezelfde managers/politici/politiekorpsen?

Duyvendak probeert me van het tegendeel te overtuigen. “Wij denken tegenwoordig iets genuanceerder over samenwerken. Je kunt én praten én actievoeren als alleen praten niet blijkt te werken. Anderhalf jaar geleden zijn we vastgezet door de marechaussee op Schiphol wegens de bezetting van een landingsbaan. Nog dezelfde week kwam ik door de voordeur weer binnen om met de chef van de marechaussee te overleggen over een andere actie met een muziekband in de ontvangsthal.”

Bedrijven stellen zich voorlopig nog voorzichtig op tegenover de milieubeweging. Hoofd voorlichting Van der Zwan van Esso vindt dat je “vooral op specifieke issues samen kunt opereren. Zo heeft onze moedermaatschappij samen met de Amerikaanse National Fish & Wildlife Foundation het Red de Tijger Fonds opgericht. Maar in sommige gevallen is het minder opportuun om je als oliemaatschappij met een actie in te laten. Bijvoorbeeld wanneer een milieu-organisatie categorisch tegen het gebruik van fossiele brandstoffen is.” De 'toekomstbeelden' waar de door Milieudefensie op te richten stichting over praat klinken hem wat erg hypothetisch in de oren. “Wij zijn een pragmatische organisatie.”

Heineken Nederland doet wel mee aan het samenwerkingsverband van Miliedefensie. Volgens H. Byrns, hoofd Public Affairs, is het binnen zo'n denktank zaak “er met elkaar voor te zorgen dat de afstand tussen bedrijven en milieu-organisaties niet te groot blijft, maar ook niet te klein wordt. Ik zou het kwalijk vinden als de kritische noot bij de milieubeweging zou verdwijnen en het vier handen op één buik wordt. Voor ons zijn zij namelijk een prima klankbord om te weten wat er in de samenleving gebeurt.” Het gaat Byrns nog wat ver om milieu als een economisch goed te omschrijven. Hij erkent dat een negatief milieu-imago een slechte invloed kan hebben op de omzet “maar als wij het cadmium uit onze kratten moeten halen kost ons dat alleen maar geld.”

Natuursmoeltje

In de bossen bij Beek-Ubbergen, is de vereniging Das & Boom gevestigd. Over een slingerend grindweggetje rijden we de heuvel op. In een Hans en Grietjehuisje woont Jaap Dirkmaat, voorzitter van de vereniging Das & Boom (voor de bescherming van de das en andere bedreigde diersoorten in Nederland) en in de belendende villa werkt hij. Dirkmaat gruwt van de verhalen over 'nieuwe natuur' en van de kongsi's tussen milieu-organisaties en bedrijven. “Het bedrijfsleven zoekt momenteel naar manieren om een groen natuursmoeltje te halen. En veel natuur- en milieu-organisaties werken daar vrolijk aan mee. Wij zeggen altijd: 'Ze dineren vaker met politici en het bedrijfsleven dan dat ze dingen staan te bevechten voor de natuur.”

Dirkmaat wijst erop dat clubs als Natuurmonumenten van oudsher verenigingen voor het Nederlandse establishment waren. “Het is opgericht door adel en jagers, begin deze eeuw. De zorg om de natuur was toen nog een hele elitaire aangelegenheid. Het gewone volk had wel wat anders om zich druk over te maken. Ook het Wereld Natuur Fonds is van oorsprong een rechtse ballenclub.”

Na een periode van radicalisering in de jaren zestig en zeventig nestelen zich inmiddels weer steeds meer (rechtse) oud-politici in de warme mantel van de milieubeweging. “In de achterban van Natuurmonumenten zitten veel VVD-ers en CDA-ers”, aldus Dirkmaat. “Iedereen zegt daar nu: 'Niet polariseren!' Dat is een vies woord geworden. Consensus, daar gaat het om. Wij hebben dat overigens eerder meegemaakt met andere milieu-organisaties. Eind jaren tachtig werden wij al eens opgebeld door Greenpeace die ons vroegen of wij gek geworden waren dat wij van een bedrijf een honderd procent schone uitstoot eisten, terwijl zij net veertig procent hadden afgesproken. 'Weten jullie wel waar jullie mee bezig zijn?'. Daar komt nog bij dat een aantal van die milieu-organisaties subsidie van de overheid ontvangen, waardoor ze ook weer niet al te sterk van leer durven trekken tegen diezelfde overheid.”

Salarissen

Gevolg van dit alles is dat milieu-organisaties steeds vaker in een spagaat belanden tussen milieu enerzijds en politiek en bedrijfsleven anderzijds. Ze durven bij veel projecten geen al te kritische toon aan te slaan tegen de overheid omdat ze daar hun eigen subsidie mee op het spel zetten. Dan zou ze hetzelfde kunnen overkomen als de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (LID) die onlangs door het Openbaar Ministerie op de vingers werd getikt omdat het in de strijd tegen de varkenspest 'te actievoerderig' zou opereren. De LID is voortgekomen uit de Vereniging Dierenbescherming maar wordt inmiddels voor vier ton per jaar gesubsidieerd door het ministerie van landbouw, hetgeen een verplichting met zich meebrengt binnen de marges van de overheid te werken.

Daarmee is de milieubeweging op een keerpunt van wegen aanbeland. Greenpeace, Milieudefensie, Natuur en Milieu, de Kleine Aarde, allemaal vieren ze rond deze tijd hun 25-jarig bestaan. De achterban wil nu weten welke richting het de komende 25 jaar zal opgaan. Zo ontving de leiding van Greenpeace vorig jaar oktober een kritisch rapport van een aantal Founding Fathers van de organisatie (onder meer David MacTaggart, Nick Hill en Monika Griefahn) die wilden weten wat de toekomstvisie van hun opvolgers is.

De auteurs klaagden dat de organisatie die zij hadden meehelpen oprichten 'inspirerend initiatief' had verloren, niet langer op de cutting edge van milieuhervorming opereerde en dreigde 'simpelweg een deel te worden van het geïnstitutionaliseerde politieke landschap van de éénentwintigste eeuw.' Ze hekelden de hoge salarissen van sommige Greenpeace-kopstukken (de Britse krant The Independent on Sunday meldde naar aanleiding van het rapport dat Thilo Bode, directeur van Greenpeace International, circa twee ton per jaar verdient) die een verkeerde indruk maken op donateurs. Verder waren ze van mening dat de agenda van Greenpeace 'voor het publiek niet duidelijk omschreven was'.

Bij de stichting Natuur en Milieu probeert men zulke kritiek vóór te zijn door zelf alvast aan een toekomstvisie te werken. In januari en februari verspreidde men een schriftelijke enquête onder 230 mensen uit politiek, bedrijfsleven, wetenschap, journalistiek en milieubeweging om te peilen wat volgens hen de macht van de milieubeweging is en wat de beste strategie voor de toekomst is.

In het jubileumnummer van Natuur en Milieu, afgelopen april, werd alvast een aantal reacties gepubliceerd. Veel 'prominenten' bleken van mening dat milieu-organisaties op belangrijke punten (infrastructuur, economie) uiteindelijk te weinig invloed hadden op de besluitvorming. 'Bundel de krachten, sluit allianties met andere partijen en wees niet bang vuile handen te maken.' Onder meer op basis daarvan werkt de stichting nu aan 'een vijfjarenplan voor intern gebruik', zoals voorlichtster Marijke Brunt het omschrijft. Dit moet in de loop van de zomer worden afgerond.

Jaap Dirkmaat blijft sceptisch over de tandem milieubeweging-establishment. “Terwijl iedereen het heeft over 'krachtenbundeling' heb ik gezien hoe de actiebereidheid over de hele linie enorm is teruggelopen. Vroeger stonden wij met tien, twaalf organisaties bij de Raad van State om daar een milieu-onvriendelijk project aan te vechten. Nu staan we daar vaak moederziel alleen. Kleine, locale actiegroepen doen het nog wel, maar grote clubs als Natuurmonumenten, Natuur en Milieu en het particulier landschap zeggen allemaal: 'Dat houd je toch niet tegen.”