Zonder iets te zien in de Flits of de Blits

Wat is enger: met je ogen dicht of open in de achtbaan?

Veertien leerlingen van het KIOSB, van tien tot dertien jaar oud, zouden het niet weten. Het KIOSB in Huizen is een school voor blinde en slechtziende kinderen. “Als je helemaal niets kan zien, is het het allerengst,” denkt Daniël, zelf slechtziend. “Want je weet niet wat er gebeurt als niemand het vertelt.” Daniël en zijn vrienden zijn voor het eerst op schoolreis naar Duinrell, een pretpark in Wassenaar.

Sommige kinderen hebben een stok meegenomen, die ze als een soort voelspriet gebruiken. Ze tikken er voor hun voeten mee op straat. Dat leren ze op school, bij het vak O-M: Oriëntatie (weten waar je bent) en Mobiliteit (weten hoe je ergens heen gaat). Roxana vindt haar stok in het pretpark extra handig. “Dan weten mensen dat ik blind ben. Als ik verdwaal, ziet iemand me en brengt me naar de informatiebalie.”

Meestal gaan ze op schoolreis naar iets wat speciaal geschikt is voor blinden, vertelt juffrouw Hanneke. “Maar dit keer wilden de kinderen graag iets doen wat gewone kinderen ook doen op schoolreis.” Een schoolkamp is voor hen minder spannend, want veel kinderen wonen samen in kleine huisjes op het terrein van de school.

In Duinrell aangekomen gaat bijna iedereen eerst in de zweefmolen. Liselotte kreeg kriebels in haar buik, “maar dat vond ik niet erg. De wind suisde in mijn oren”.

Bashir kan sinds zijn geboorte bijna niets zien. Toch durft hij alles. Hij houdt van spannende dingen: “Wauw, stort 'ie nou naar beneden of niet?” roept hij bijna hoopvol bij de ingang van het park, als hij het gebrom van een vliegtuig hoort. Zijn vriend René is al even stoer. Maar van het Duinrell-personeel mogen de jongens niet overal in. De rodelbaan is echt te gevaarlijk, want je moet je wagentje afremmen als er een bocht aankomt. Bashir is boos. Gelukkig vertelt de juffrouw dan dat naast de rodelbaan een spannende 'kikker-achtbaan' is. Daar gaan ze wel in. “We vonden het wel jammer dat de kikkers af en toe stil stonden om een bocht te nemen,” schrijven ze de volgende dag in een opstel. “Wij hadden liever in één stuk door gereden, maar toch ging-ie loeihard.” Hester is het met ze eens: “Ik vond het toch wel een klein beetje jammer dat hij niet over de kop ging.”

Op deze schoolreis gaat alles wat langzamer dan op andere schoolreizen. De zeven begeleiders leggen uitgebreid uit hoe de attracties, de 'aqua-shute', het reuzenrad, de 'botsbootjes', eruit zien. De kinderen vinden ook hele andere dingen interessant in het park. Roxana voelt lang aan het slot van het kluisje waarin ze haar droge kleren opbergt. Liselotte ruikt aan haar handen die ze net heeft gewassen: “Deze zeep heeft geen geurtje. Was het pompje leeg?”

Haar vriendin Melanie, die sinds twee jaar blind is, houdt van 'dingen boven de grond'. Maar in de rij voor de trapautootjes (die op een rail door de lucht rijden), denken ze aan heel andere dingen. Liselotte doet voor hoe aanstellerig ze als hofdame in de schoolmusical moet zingen en Melanie vraagt haar of zij het nummer van haar ouders op de telefoon in kan toetsen.

Een hoogtepunt van de schoolreis vindt iedereen het eten: patat zoveel je wilt, een kroket en appelmoes. Telkens hoor je iemand vragen: “Is er nog friet?”

Na het eten is het tijd voor het 'Tiki-bad'. Joelend storten de kinderen zich van de meest griezelige glijbanen. De 'Flits' en de 'Blits' zijn favoriet. “In de Blits zat je in een buis”, schrijft Roxana in haar opstel. “Ik ging op mijn rug liggen en zette me af. Ik ging een stukje loodrecht naar beneden en toen lag ik stil. Ik dacht help, straks knalt er iemand tegen me aan. Maar dat gebeurde gelukkig niet.”