Weggelachen aan het Frans hof; Rémi Waterhouse over zijn film Ridicule

Geestig zijn, esprit tonen om de koning te behagen, was een voorwaarde om te overleven aan het hof van Franse vorst Lodewijk XVI. Maar té spitsvondig was gevaarlijk. “De esprit aan het hof kun je vergelijken met een partijtje roulette tegen de bank: tenslotte verlies je altijd,” zegt Rémi Waterhouse. Hij schreef het scenario voor de film 'Ridicule'.

Rémi Waterhouse: Ridicule, il n'épargne personne, Ed. Le pré aux clercs / Presses Pocket 1997, 30 FF.

Ridicule van Patrice Leconte is in Nederlandse première gegaan tijdens de Franse filmweek in Groningen en te zien in Amsterdam (Alfa 1 en The Movies 1) en Groningen (Pathé). De Franse filmweek in Groningen omvat twintig korte en lange films, waaronder nóg een Nederlandse première (A toute vitesse van Gaël Morel) en een aantal klassieke films zoals La bête humaine van Jean Renoir en L'étrange M. Victor van Jean Grémillon, beide uit 1938.

Eigenlijk had Rémi Waterhouse (41) Ridicule voor zichzelf geschreven. Het had zijn regiedebuut moeten worden. Maar een zo zwaar gekostumeerde film is duur, en er was geen producent te vinden die dit project aan een debutant wilde overlaten. Regisseur werd Patrice Leconte, bekend van Le mari de la coiffeuse.

Ridicule werd de succesvolste Franse film van 1996, bekroond met vier Césars (het Franse equivalent van de Oscars), “waaronder helaas nou net niet de César voor het beste scenario”, merkt Waterhouse op. Ridicule werd ook genomineerd voor een Oscar in de categorie beste niet-Engelstalige film. Hollywood bleek wel gecharmeerd van deze schildering van het hof te Versailles onder Lodewijk XVI.

Dat laatste doet het ergste vrezen: al te veel van zulke films spelen tegenwoordig immers in historisch- en geografisch niemandsland, om geen toeschouwers op de vlucht te jagen met geschiedkundige gegevens die instant-identificatie met de personages in de weg kunnen staan.

Die vrees is ongegrond: Ridicule is niet alleen onderhoudend en fraai aangekleed - maar ook zorgvuldig historisch. De film gaat bovendien over een abstract onderwerp: hoe de veelgeroemde Franse esprit, de kunst van de spitsvondige conversatie, aan het hof van Lodewijk XVI voor de adel fungeerde als een instrument voor het verkrijgen van gunsten en inkomen. En het is nog een venijnige film bovendien: voor elke edelman lag le ridicule (de belachelijkheid) op de loer, en die kon tot zijn ondergang leiden.

“Het idee voor dit scenario kreeg ik bij het lezen van de mémoires van de Comtesse de Boigne, die als kind aan het hof van Lodewijk XVI had vertoefd”, vertelt Rémi Waterhouse in zijn flat in Boulogne-Billancourt bij Parijs. “Ze beschrijft de gang van zaken door de ogen van haar vader, en vertelt dat de hovelingen in voortdurende angst leefden: of ze in hun gesprekken wel voldoende esprit aan de dag konden leggen, en of le ridicule hen niet tot de bedelstaf zou brengen.

“Dat heeft mij toen zeer verwonderd: zoals bijna iedereen had ik gedacht dat die achttiende-eeuwse hovelingen zich vermaakten met hun spitsvondigheid, dat zij de esprit met een zeker plezier lieten regeren aan hun tafel of hun salon. Maar niets was minder waar: niemand was aan het hof voor zijn plezier. Het was hard werk om je daar een positie, en tenslotte de gunst van de koning verwerven.

“En een onderneming met onzekere afloop bovendien. Die figuur die je in het begin van de film een stervende rivaal van weleer uit wraak ziet onderpissen gaat terug op iemand die de Comtesse de Boigne beschrijft: tijdens een bal was hij tot struikelen gebracht en had, terwijl hij neerviel, 'Jésus-Marie' geroepen. Sindsdien noemde iedereen aan het hof hem Jésus-Marie als hij voorbijkwam. Hij was belachelijk geworden, elke kans op een carrière was verkeken. Hem restte niets dan de gang naar de koloniën, om te proberen daar in zijn onderhoud te voorzien”.

Muggen

Ridicule is het verhaal van de jonge edelman-ingenieur Ponceludon de Malavoy (gespeeld door Charles Berling) uit het gebied van La Dombes, een vlakte ten noorden van Lyon. De gezondheidstoestand van de bevolking was er notoir slecht, de levensverwachting van de boeren korter dan elders. Muggen verspreidden tal van ziekten. Ponceludon heeft een plan voor het droogleggen van de moerassen - zo evident nuttig, meent hij in zijn naïviteit, dat de koning er wel oren naar zal hebben en fondsen ter beschikking stellen.

Optimistisch reist hij naar Versailles, om daar te merken dat argumenten als nut, volksgezondheid of zelfs de technische haalbaarheid van zijn plan geen enkele rol spelen in de koninklijke regering. De ministeriële archieven liggen vol met nuttige voorstellen, waarvan de bladen meestal niet eens zijn losgesneden. Zijn plan wordt weggelachen.

Ponceludons enige kans is, mee te doen aan het spel van het hofleven en te proberen met esprit zich een weg omhoog te werken - hierin geholpen door een oude rot in het hofleven, Louis de Bellegarde (Jean Rochefort). “De Comtesse de Boigny heeft geschreven dat aan het hof de esprit de plaats had ingenomen van talent en competentie en dat laat ik Ponceludon ontdekken”, vertelt Waterhouse. “Een bekende methode”, voegt hij er bescheiden aan toe: “je laat een jong personage, met een hedendaagse rationaliteit de confrontatie aangaan met de merkwaardige wereld die je wilt beschrijven”.

Bellegarde wordt niet alleen de leermeester aan het hof van de jonge Ponceludon maar ook van ons, toeschouwers. Deze oudere voormalige medicus brengt zijn pupil de grondregels van het hofleven bij, zoals die in de zeventiende eeuw al kritisch waren beschreven door de schrijver Jean de La Bruyère: “Een man van het hof is meester over zijn gebaren, zijn ogen en zijn gezicht. Hij glimlacht naar zijn vijanden, verbergt zijn gevoelens, ontkent de ingevingen van zijn hart en handelt tegen zijn gevoelens in”.

Het allerergste, brengt Bellegarde de jonge ingenieur bij, is lachen om je eigen spitsvondigheden. Daartegen zondigt Ponceludon in het begin regelmatig, maar hij betoont zich verder een snelle leerling. In het kader van zijn maatschappelijk streven verruilt hij de dochter van Bellegarde (Judith Godreche), op wie hij verliefd is uit opportunistische overwegingen voor de Comtesse de Blayac (Fanny Ardant), wier bed fungeert als een soort antichambre voor een audiëntie bij de koning.

Men maakt zich aan het hof ernstig zorgen over het bestaan in Engeland van iets wat op esprit lijkt, maar het toch niet is: humour namelijk. Gevraagd naar een voorbeeld, vertelt een edelman die juist uit Engeland is teruggekeerd een niet onaardige Engelse grap - met zoveel aarzelend onbegrip dat niemand lacht. Geen esprit, hoe is het mogelijk, constateren de disgenoten - enigszins bezorgd over deze aanslag op de internationale hegemonie van de eigen discours.

Gaandeweg wordt de film grimmiger. De mechanismen van esprit en ridicule blijken een vorm van competitie die slachtoffers maakt. “Ook het zelfmoordgeval van de arme edelman die onsterfelijk belachelijk wordt gemaakt en zich ophangt, heb ik aan de Comtesse de Boigne ontleend”, vertelt Waterhouse. “Tegenwoordig heb je de uitdrukking le ridicule ne tue pas (de belachelijkheid doodt niet) maar in de achttiende eeuw lag dat duidelijk anders. Of eigenlijk was het niet de belachelijkheid zelf, maar de maatschappelijke en economische ondergang die volgde, nadat men door de belachelijkheid was getroffen”.

Abt

Ook het geval van de abt die het slachtoffer wordt van zijn eigen spitsvondigheid, is historisch. Briljant weet de ambitieuze geestelijke in tegenwoordigheid van de koning het bestaan van God te bewijzen. Aangemoedigd door de bewondering van de vorst spreekt hij dan de woorden: “als het uwe majesteit behaagde, had ik ook het tegenovergestelde kunnen bewijzen”.

Waterhouse: “Dat is een uitspraak die tornt aan een van de basisideeën van het koningsschap, namelijk dat het van God afkomstig is”. Alsof de abt aan de pest lijdt, zo ijlings vluchten de hovelingen na het woedend vertrek van de koning de zaal uit. De macht van de abt is gebroken. “Het spel met de esprit aan het hof kun je misschien vergelijken met een partijtje roulette tegen de bank: tenslotte verlies je altijd”, zegt Waterhouse. “Dat maakt het ook fascinerend: tenslotte kan iemand het slachtoffer worden van zijn eigen spitsvondigheid”.

Subtieler nog wordt de perversie van het systeem gedemonstreerd door de figuur van Bellegarde. Diens wetenschappelijke experimenten met de achttiende-eeuwse uitvinding elektriciteit lijken aanvankelijk een frisse bries binnen de verstikkende sfeer aan het hof, maar blijken een schaduwzijde te hebben. De ouder wordende Bellegarde voelt met de jaren zijn geestkracht afnemen. En omdat hij, als rechtgeaard positivist, de gedachte koestert dat esprit een kwestie van elektriciteit in de hersenen moet zijn, zet hij zichzelf af en toe onder stroom.

Bellegarde is het ook die enigszins manisch alle voorbeelden van spitsvondigheid vastlegt in registers, ze naar genre onderbrengend in rubrieken met fraaiklinkende latijnse namen. “De Bibliothèque nationale, waarvoor ik bij het schrijven van het scenario veel tijd heb doorgebracht, bezit talrijke gedrukte verzamelingen esprit uit de achttiende eeuw, kennelijk uitgegeven om de lezer de gelegenheid te geven zich in de voor macht en invloed benodigde spitsvondigheid te bekwamen. Dat zijn niet zomaar geestige boekjes, maar dikke, ernstige werken in meerdere delen”.

Het zou flauw zijn hier te onthullen hoe het Ponceludon en zijn plannen voor drooglegging vergaat aan het hof, maar de moerassen bij La Dombes zullen in ieder geval pas aan het eind van de achttiende eeuw, na de Franse revolutie worden gedempt. In die zin is het macabere systeem van esprit en ridicule in de film ook een aankondiging van de ondergang van het Franse Ancien régime in 1789, dat zozeer verdiept lijkt in de mechanismen van zijn eigen bestaan, dat het elk contact met de werkelijke problemen des lands verliest.

“Ik ben geen historicus, maar ik denk inderdaad dat er zo'n verband bestaat”, zegt Waterhouse. Als echte cinefiel baseert hij zijn kijk niet zozeer op historische literatuur, maar op film: “Roberto Rosselini heeft in La presa di potere di Luigi XIV ('De machtsgreep van Lodewijk XIV') een mooi beeld gegeven van het ontstaan van de hofcultuur in Versailles. Dat hele ingewikkelde systeem, met edellieden die de plicht hadden het ontwaken van de koning bij te wonen, of hem zijn pantoffels of pispot moesten aangeven, had een infantiliserende werking.”

Rare pruiken

“Lodewijk XIV had alle reden bevreesd te zijn voor de adel, en de opstanden tegen de macht des konings die ze konden ontketenen. Ze reduceren tot kleuterniveau was een instrument om de adel eronder te houden. Hetzelfde systeem bestond nog onder Lodewijk XVI, maar ik betwijfel of iemand toen nog wist, waarvoor het eigenlijk diende”. Opvallend in de film Ridicule is, dat de koning zelf niet op spitsvondigheid kan worden betrapt. “Hij had dat niet nodig. De koning was niet aangewezen op gunsten.”

In de epiloog bij Ridicule treffen we Bellegarde na de Revolutie in ballingschap in Engeland aan, vol onbegrip proberend enig systeem te brengen in de Engelse humour, waarvan het wezen hem ontgaat.

Rémi Waterhouse heeft zijn filmscenario bewerkt tot een alleszins lezenswaardige novelle, Ridicule, il n'épargne personne, die in pocketuitgave heel aardig is verkocht. Hij is nu dus toch een beetje als auteur van het verhaal erkend, al heeft hij zijn scenario niet mogen regisseren.

“Ik vind de film prachtig, en dat zeg ik zonder beleefdheid. Ik heb Patrice Leconte voor de opnamen erg op het hart gedrukt er geen Les ridicules ('de belachelijken') van te maken. Dat had voor de hand gelegen: mensen die voortdurend gepoederd en met rare pruiken op rondlopen, hebben meteen iets belachelijks”. Maar Leconte liet de personages menselijk en aannemelijk, bedreigd als zij worden door het verschijnsel van de belachelijkheid zelf.

Voor een eigen eerste speelfilm heeft Waterhouse - hij maakte eerder een documentaire over de geschiedenis van de lift onder de titel La conquête des étages (de verovering der verdiepingen) - een nieuw scenario in ontwikkeling. Waar dat over gaat, mogen we niet weten.