Wedergoedmaking

Naar aanleiding van Om erger te voorkomen, het boek van Nanda van der Zee, is er de afgelopen maand een fel debat ontstaan over de vraag of koningin Wilhelmina met haar vlucht naar Engeland wel in het landsbelang heeft gehandeld. Door het vertrek van de koningin en haar regering kregen de Duitsers de vrije hand bij de installatie van een nieuw burgerlijk bestuur, een ontwikkeling die op het lot van de Nederlandse joden beslist geen gunstige uitwerking heeft gehad.

Het gaat hier om een historische hypothese die, zoals alle andere historische hypothesen, uiteindelijk niet te bewijzen valt. Het is een fascinerende gedachte om de Tweede Wereldoorlog nog eens over te doen, dit keer met een koningin die besluit te blijven, maar de geschiedenis is nu eenmaal geen natuurkundig experiment dat herhaald kan worden. Daarmee is echter niet alles gezegd. In 1945 lag Nederland in puin en bleken er aanzienlijk meer joden te zijn weggevoerd dan in enig ander West-Europees land. Landsbelang of niet, tel uit je winst.

Door alle ophef is ten onrechte de indruk ontstaan dat het boek van Van der Zee alleen maar gaat over de rol van Wilhelmina. Om erger te voorkomen gaat over veel meer. Zo laat Van der Zee nog overtuigender dan haar voorganger zien dat grote groepen Nederlanders zeer wel op de hoogte waren van het lot der joden en dat zij desondanks weinig hebben gedaan om de plannen van de Duitsers te vertragen of te dwarsbomen. Vooral de inzet van overheidsinstellingen is allesbehalve heldhaftig geweest. De meegaandheid van ministeries, Hoge Raad, van politie en NS levert een beeld op dat weinig verheffend is.

Na de oorlog richtte alle woedde zich natuurlijk op de Duitsers, maar eigenlijk blijft het vreemd dat Nederlanders nooit verhaal hebben gehaald bij hun eigen overheid. Misschien gaat dat meer dan vijftig jaar later nog veranderen, want onlangs las ik in De Groene over de inspanningen van de joodse advocaat Henri Look. In 1943 werd hij samen met zijn moeder door Nederlandse politieagenten ingerekend. Look wist ten slotte te overleven, maar dat had hij beslist niet te danken aan Nederlandse ambtenaren.

Inmiddels heeft Look ontdekt dat in 1950 de Wet Overheidsaansprakelijkheid Bezettingshandelingen is ingevoerd, die het mogelijk maakt de rechtbank een oordeel te vragen over het gedrag van Nederlandse instellingen tijdens de oorlog. Look ontdekte ook dat er tot dusver geen enkele Nederlander is geweest, die ook daadwerkelijk een beroep op die wet heeft gedaan. Dat is opmerkelijk. Oorlog of geen oorlog, kennelijk is de Nederlander altijd trouw aan het overheidsgezag. Look heeft nu besloten als eerste een beroep te doen op deze wet en hij is een proces tegen de Nederlandse staat begonnen. Een eventueel toegekende schadevergoeding heeft hij al bestemd voor een goed doel.

De inspanningen van Look maken bij mij herinneringen aan mijn vader los. Ik was nog klein toen mijn vader het verhaal vertelde van zijn pogingen om in de meidagen van 1940 naar Engeland te vluchten. Samen met Koos Vorrink en met enkele joodse redacteuren van de Arbeiderspers reden zij naar IJmuiden. Vorrink had een groot bedrag bij zich, dat hij had gekregen om er een boot van te kopen.

Maar eenmaal in IJmuiden aangekomen lukte het niet om een boot aan te schaffen, hoewel de vluchtelingen het dubbele wilden betalen van wat gewoon was. Ook de havenpolitie werkte niet echt mee. Ten slotte wist het gezelschap nog de kade te bereiken, maar de kapitein van het schip dat daar lag, weigerde Vorrink en de zijnen mee te nemen. Het schip zou vol zijn. Maar wat is vol? Bootjes van Albanese vluchtelingen zijn vol, maar voor zover ik weet zijn er nooit zulke volle boten in Engeland aangekomen.

Wat zou er gebeurd zijn als de havenpolitie soepeler was geweest en de kapitein van dat schip de hand over zijn hart had gestreken? Dan was mijn vader naar Engeland gegaan. Mijn moeder had hij dan nooit ontmoet en ik was dan niet geboren. Ook dat is een fascinerende gedachte, al had ik haar in dat geval niet kunnen krijgen.