Vermeulens strijd tegen de Hollandse lauwheid

Concert: Gelders Orkest onder leiding van Christopher Lyndon-Gee. Werken van Vermeulen, Markevitkh en Sibelius. Gehoord: 18/6 Concertgebouw Amsterdam.

Is Nederlandse muziek over het algemeen ingehouden van aard, gereserveerd en to the point? Zulke gedachten veroorzaakte woensdagavond Matthijs Vermeulens muziek, die die dit allesbehalve is. Ik denk daarbij aan een uitspraak uit 1956 van Jan Wisse: “De lauwheid die voor ons volk in kunstenaars zo kenmerkend is - de chronische lauwheid die zelfs kans ziet de niet-lauwen te frustreren zoals Vermeulen.” Of de veel vaker geciteerde, treffende beschouwing van Boguslaw Schäffer, die constateerde dat de Nederlander niet componeert of zijn leven er van afhangt.

Vooral dit laatste geldt dus zeker niet voor de wel bijzonder on-Hollandse Vermeulen die in zijn zeven symfonieën, waarvan gisteravond de korte laatste werd uitgevoerd door het Gelders Orkest, de muziek bevrijdde van het akkoordenharnas in een gewaagde architectuur van vrij zwevende, onafhankelije stemmen.

De drang van de Zevende bijgenaamd 'Dithyrambes pour les temps à venir' (vreugdezangen voor de komende tijden) is groot. En het stralende slot lijkt te verwijzen naar de een halve eeuw eerder gecomponeerde Eerste symfonie.

Hoewel Vermeulen een hekel had aan analyses heeft hij heel precies het verloop van de Zevende in kaart gebracht, waarbij het hem niet om de noten ging, niet om de 'bureaucratie' maar om het in kaart brengen van steeds wisselende stemmingsbeelden en emoties.

Ziehier een teiltje van die typeringen: jubilerende houtblazers boven jagende bassen, een lokkend intermezzo, verstuivend geluid, transfiguratie, opstapelingen van elektriciteit, abrupte ontlading, fonkelende apotheose. Wie dit leest begrijpt dat van chronische lauwheid geen sprake kan zijn.

Die lauwheid was evenmin aanwezig bij het Gelders Orkest en dirigent Christopher Lyndon-Gee. Deze voormalige assistent van Bruno Maderna koos voor pittige tempi en hield het orkest goed in de hand. Jammer alleen dat in zo'n veeleisend stuk de hoge strijkers aan klankkleur inboeten. Maar wat een schitterend sonore klank ontwikkelden de lage strijkers. Het magische begin van Sibelius Vierde symfonie stond als een huis. En hoe gloeide niet de cellosolo!

Interessant was de keuze bij Vermeulens symfonie voor Igor Markevitch' vier orkestliederen Lorenzo il magnifico uit 1940, eerder een concertante symfonie voor stem en orkest. Helaas is hier een Wagner-zangeres voor nodig. Lucy Shelton slaagde alleen in het vierde lied erin om over het orkest heen te komen.

De liederen zijn interessant omdat Markevitch evenmin als Vermeulen kiest voor één stijl. Soms tendeert de muziek richting Strauss-Mahler, dan weer naar Roussel en zelfs Italiaans bel canto.

Een intermezzo voor strijkorkest onder de titel 'Bespiegelingen over schoonheid' mist de harpen om nog sterker te kunnen refereren aan Mahlers Vierde. Een nogal weke schoonheid, als een bos lichtelijk verwelkte orchideeën. En dan houdt de vergelijking met de jubelend jagende Vermeulen helemaal op!