Verlangen naar de slappe lach

Ik hou van flou. Dat blijkt al uit mijn spelling. Van mijn kindertijd herinner ik me niets om boos of sentimenteel over te worden, maar gelachen dat we hebben... Laatst zei een kroegbaas het door de telefoon, denkend aan dertig jaar geleden, in de Jordaan, en ik grinnikte mee.

Ja, we hebben toen gelachen, gebruld hebben we om practical jokes, om onzinnige gesprekken, om dronkenschap van anderen. Het was toch niet de lol van vijfenzestig jaar geleden, de kinderlol waar ik soms heimwee naar heb. Ik zou nog eens, nuchter en bij mijn verstand, de slappe lach willen krijgen. Om versprekingen, om misverstanden. Ik hield van flauw. Ik verzon een verhaaltje waarin iemand het had over 'vuiligheid' en de ander verstond 'vuile geit', met ruzie als gevolg, en ik begreep niet dat mijn ouders het geen leuk verhaaltje vonden. Mijn geleerde vader zal de Génestet hebben geciteerd: 'Wees kinderlijk, niet kinderachtig'. Hij kon zelf trouwens zo flauw zijn dat ik mij ervoor schaamde.

In 1978 verbleef ik maanden lang in een ziekenhuis waar mannen werden verpleegd die te oud waren om nog te leven en mannen die te jong waren om ziek te zijn. Dit wordt een stukje van citaten, ik begin met een van mijzelf, over dat ziekenhuis: “Op den duur ging ik ook de oude heer waarderen die zich erop voor liet staan dat hij een heer was. Hij kwam om te roken, noemde telkens zijn naam en beschreef ons zijn ambtelijke carrière. Door hard werken en streven had hij het gebracht tot hoofd van de afdeling onderwijs in een provinciestad. (-) Tegenover ons zaaltje was een kamer waar twee demente mannen in woonden. Een van hen werd vaak door een of andere waan ons zaaltje binnen gedreven en scharrelde langs onze bedden en deed onze kastjes open. (-) Zijn kleding was vreemd. Hij kwam eens bij ons aan in een pyjamajasje met een keurig gestrikte stropdas en géén broek. Zelfs hij moest naar de carrièremaker luisteren, en ik werd zeven jaar oud, schaterend om een grappig radioprogramma. 'Ik ben geboren in Friesland, ik ben Fries, maar mijn carrière heb ik in het westen gemaakt', zei de een. De ander, keurig opgevoed blijkbaar en nogal doof, antwoordde: 'Naar Rusland, op de fiets?' en voegde er knarsend van het denken aan toe: 'Dan bent u over de Alpen gekomen.' ”

Ooit heb ik een verzameling willen aanleggen van versprekingen en misverstanden in de literatuur, en deed het niet. Kluchten staan me meestal tegen, in geen jaren heb ik onstuitbaar gelachen, ik moet het hebben van herinnering en heimwee.

En zo herinner ik me een oud stukje van Jan Blokker waarin de spreektrant van een Kamerlid werd geparodieerd. Ik heb het verschillende malen in gezelschap van vrienden voorgelezen, zonder succes. Dat lag ten dele aan mij. Het is moeilijk om versprekingen voor te lezen, en ik barstte in lachen uit terwijl ik voorlas. Het lag ten dele aan het onderwerp want Kamerlid Berger van DS'70 was tragisch ziek gebleken en niet halfdronken wanneer hij sprak. Berger is dood, de partij bestaat allang niet meer, en Blokkers parodie gaat zo: “En dan kom ik tot m'n derde opmerking, en deze vierde opmerking, menoor de veerzitter, die is dan, zoals uit mijn achtste opmerking op dit punt al is gebleken, dat ik mij voor de volle 100 % achter de opvattingen van de heren De Brees en Drauw stel, opvattingen, veneer de zoormitter, die ik zo dadelijk in mijn eerste opmerking nog zal verduidelijken.”

De negentiende-eeuwse Rus Ljeskov vertelt in zijn roman Het kapittel over een jonge leraar die zich uitgeeft voor revolutionair, eigenlijk alleen maar een pedante vlerk is, en zodra hij zich opwindt even verward wordt als Blokkers Berger. Iemand gaat op zijn tenen staan tijdens een heftig debat en hij roept: “Au, u hebt op mijn lievelingseksteroog getrapt!” Hij is evenmin dronken als Berger.

Er bestaat een boek Gallettiana. Unfreiwillige Komik in Aussprüchen des Professors Joh. G. Aug. Galletti. Ik ken het uit een stukje van Kurt Tucholsky. Galletti (1750-1828) was leraar aan het gymnasium van Gotha, en hij kon er wat van! Tucholsky voorziet de citaten van commentaar en herinnert zich zijn eigen leven als leerling van het gymnasium. Ik heb het Erasmiaans Gymnasium in Rotterdam héél kort bezocht, en er was toen, in de jaren dertig, een conrector die zich met opzet eigenaardig gedroeg. Leerlingen hebben een boekje samengesteld met zijn bizarste uitspraken. Ik weet niet of het geschrift bewaard is gebleven. Maar bij Galletti zal hij het niet gehaald hebben.

Die zei in de klas: “Toen Humboldt de Chimborasso besteeg, was de lucht zo dun, dat hij niet meer zonder bril kon lezen.”

Hij zei: “De Afghanen zijn een zeer bergachtig volk.” En: “De Kimbren en Teutonen stammen eigenlijk van elkaar af.” En: “Karlmann verwisselde het tijdelijke met het geestelijke en stierf.” En: “Maximiliaan de Eerste had de hoop de troon op zijn hoofd te zien.” En: “Wanneer Caesar niet over de Rubikon was getrokken, is het niet te overzien waar hij nog terecht gekomen zou zijn.” En: “Eerst doodde Julianus zichzelf, toen zijn vader en toen zichzelf.”

Blijkbaar was hij op straat van dezelfde kwaliteit: “Toen ik u vanuit de verte zag, Hofraad Ettinger, meende ik dat u uw broer was, de boekhandelaar Ettinger, maar toen u dichterbij kwam zag ik dat u het zelf bent en nu zie ik dat u toch uw broer bent!”

Dit is de mooiste: “Ik, professor Uckert en ik - we gingen met z'n drieën op reis.”