Schimmen in stoom en licht; Judit Hersko over haar Biennale-projecties

In het Hongaarse paviljoen van de Biennale van Venetië heeft Judit Hersko het thema 'natura morta' uitgebeeld: op nagebouwde stillevens van smetteloos wit gips projecteert ze sobere 17de-eeuwse schilderijen.

De Biennale van Venetië duurt tot 9/11.

Wat voor beeldende kunst wordt er gemaakt in Hongarije? Weinigen die het weten. Zoals men ook nauwelijks op de hoogte is van waar de kunstenaars in Uruguay, Griekenland of Tsjechië mee bezig zijn. Alleen al de nieuwsgierigheid naar wat zich afspeelt aan die periferie van de internationale kunstwereld, doet uitkijken naar de landenpaviljoens in het park van de Biennale van Venetië.

Het Hongaarse paviljoen ligt letterlijk en figuurlijk In de luwte van de Giardini di Castello. Op de zonnige binnenplaats verzamelt zich die eerste dagen de Hongaarse kunst- en museumwereld. Op de vorige Biennale hing György Jovanovics, de bekendste beeldhouwer van dat land, hier zijn afgietsels van draperieën en vooral van karton; gipsen structuren van dik papier, verschoven panelen, smetteloos en kwetsbaar als het papier zelf. Jovanovics is, wat Nederland betreft, weer in die periferie verdwenen.

Dit jaar is het Hongaarse paviljoen gewijd aan 'Natura Morta'. Éva Köves fotografeerde onder meer fragmenten van de golvende zee en reeg ze metersbreed aaneen in een onregelmatige, panoramische lijn. Door er bijna onzichtbaar wittig-groenige verf aan toe te voegen lijken de koppen van het papier af te schuimen. Een milieu-opvatting van 'natura morta', want dat schuim ziet er chemischer uit dan gezond kan zijn. Of zou Köves een paradox hebben bedoeld? Want als er iets is dat zichzelf als stilleven uitsluit, dan is het de zee wel. En de zee hoort bij Hongarije als het hooggebergte bij Nederland.

Róza El-Hassan heeft zich met haar muurgrote, laissez-aller-tekeningen ver verwijderd van 'Natura Morta'. Alleen de laatste en derde kunstenares, Judit Hersko (1959), is thematisch zuiver op de graat. Haar zaal is ook de meest esthetische - in kringen van eigentijdse kunstkenners dus goed voor een falikante afwijzing; in andere kringen gelukkig niet.

Hersko verwerkt, in kunstlicht, voorstellingen van bekende schilderkunstige voorgangers. Ze projecteert bijvoorbeeld een gedetailleerde laat 16de-eeuwse tekening van een heksensabbat op een driedimensionaal vormgegeven stilleven, gebaseerd op een doek van Francisco Zurbarán (1598-1664). Daarom staat er op een witte plank, tegen een witte muur een schaal met wat citroenen, een mand met sinaasappelen, een tak, en nog een beker met een roos; ze zijn allemaal van het witte gips gemaakt.

Een steriele keukenplank, zou je denken; een flauw aftreksel van de soberheid waartoe de meester van Sevilla zich durfde te beperken - alsof je een bakje aardbeien neerzet ter ere van de 17de-eeuwse 'minimalist' Adriaen Coorte. Maar dankzij de projectie van de in bruin oplichtende, barokke inktlijnen, tovert Hersko diezelfde keukenplank om in een verzameling elegant serviesgoed. De echte schaduwen van de tak en het pseudo-aardewerk verweven zich met het 'tekenbehang'. En er hoeft maar even wat zomers licht binnen te vallen, of het geheel vervloeit weer in vlekken.

Inquisitie

Dat diezelfde tekening daar niet alleen oplicht om mooi te zijn, blijkt pas later, tijdens een gesprek met Judit Hersko. Ze gebruikte een projectie van een 17de-eeuwse heksenjacht, en dat thema, het uitroeien van grote groepen mensen ten bate van de maatschappelijke controle en van de zogenaamde vooruitgang die de heersende klasse op het oog had èn heeft, houdt Hersko al geruime tijd bezig: “Maar in dit geval gaat het me ook om de interactie tussen de esthetische moraal van een 17de-eeuwse schilder en de fysieke 'horror' waar in die inquisitie-tijd sprake van was. Een fysieke lust bijna, waar figuren als Dracula en Frankenstein op andere wijze aan herinneren en die we in het westen nauwelijks meer kennen.”

Hersko werd geboren in Boedapest, groeide op in Zweden, studeerde onder meer psychologie en kunstgeschiedenis in Chicago, bezocht daar ook de academie en woont sinds 1989 met haar Hongaarse man in San Diego. De belangrijkste musea van Hongarije, de National Galerie en het Ludwig Museum in Boedapest, hebben haar werk gekocht.

“Het spreekt vooral Hongaren aan”, vertelt Hersko, “dat ligt waarschijnlijk aan de mate van gevoeligheid, van historisch besef, van gelaagdheid en melancholie - hoedanigheden die vooral bij Centraal-Europa horen. Dat wil niet zeggen dat mijn werk typisch Hongaars is, mijn landgenoten zeggen iemand te herkennen die er vandaan komt, maar elders op de wereld veel verschillende ervaringen heeft opgedaan. Vooral de veranderlijkheid van mijn werk blijkt hen te raken, en dat is gezien de geringe continuïteit die de geschiedenis van Hongarije te zien geeft, niet zo verwonderlijk.”

Een van die ervaringen voor Hersko was een tentoonstelling in Chicago van de Fransman Christian Boltanski. Ook hij licht zijn werk uit, ook hij verwijst naar zijn joodse verleden en ook hij werkt regelmatig met foto's die 'het verdwijnen' aan de orde stellen. “Boltanski heeft me zeer beïnvloed”, zegt Hersko, “maar hij gebruikt foto's van anonieme mensen en hij benadrukt het slachtofferschap. Daar voel ik me ongemakkelijk bij. Ik put liever uit mijn eigen herinneringen en associaties.”

Hersko gaat, kleinschaliger weliswaar, een stap verder dan Boltanski. Ze memoreert niet alleen het vergankelijke moment, ze suggereert niet alleen de verdwijning van mensen en dingen, ze roept niet alleen de herinneringen weer tot leven, ze transformeert en deformeert die herinneringen ook tot bijna alchemistische projecties die net zo vloeibaar, vluchtig en veranderlijk zijn als die ogenblikken waaruit leven en verleden zijn opgebouwd.

Hersko bladert door de catalogus en wijst op een vakantiefoto van haar familie. Figuren die ze later in dezelfde houding neerzette in een wassubstantie. Ze liet het geheel voor een groot deel in vlammen opgaan. De beelden van de verbranding verschenen samen met de projectie van het hittebestendige ijzeren karkas weer op de muren, waar ze, moeten functioneren als “a screen of the mind”, zoals ze het zelf noemt.

Dat Hersko ook de schimmen kent die Boltanski tijdens Century '87 als schaduwen liet dansen in een eeuwenoud Amsterdams grachtengewelf, blijkt, vreemdgenoeg, uit de plastic zakjes die ze in Venetië aan touwtjes laat bungelen. In die zakjes lijken wat dennennaalden verdwaald en wie goed kijkt zie dat hier en daar het plastic aan elkaar is gelijmd. Maar niemand zou met zo'n zakje in handen kunnen vermoeden dat dat bijna onzichtbare geknutsel toverlantaarn-achtige voorstellingen oplevert die, alweer, alleen kunnen bestaan bij gratie van het gedempte licht.

Perverse praktijken

Even doen de weerspiegelingen van het plastic denken aan de grafische bladen van Picasso, die precies wist hoe hij krassend, strelend, hortend en stotend met zijn burijn een lijn elke gradatie van vitaliteit kon geven. Maar ook hier laat Hersko weer een eeuwenoude heksenjacht opdoemen, op vrouwen die ten onrechte werden beticht van perverse, seksuele praktijken. Ze doen het met monsters en ze laten zich aan alle kanten likken. Wat zich in eerste instantie aftekent als een wulpse, pantheïstische badscène, stelt een tragedie voor. “Met de kracht en de scherpe intuïtie van vrouwen werd graag korte metten gemaakt”, zegt Hersko.

Haar laatste 'soul-sculpture', zoals de catalogus haar werk noemt, spreekt het meest direct tot de verbeelding. Weinig bezoekers nemen de tijd om er even bij stil te blijven staan. Het is een bronzen afgietsel van een pruttelende pan met wat brood en flessen. Een exacte nabootsing van een stilleven dat de onbekende, 18de-eeuwse schilderes Anne Vallayer-Coster in terughoudende tinten op doek zette. Hersko weet die bronzen pan nu waarachtig te laten pruttelen en in de stoom die eruit op stijgt, verschijnt in flarden het lieflijke, 18de-eeuwse schilderij van Jean-Simeon Chardin: een moeder die haar kroost aan tafel het eten opschept.

Dat laatste beeld moet waarschijnlijk de vergeten Anne Vallayer-Coster in herinnering brengen, die er voor haar gezin onvoorwaardelijk was, desnoods ten koste van de schilderkunst. Maar hoe vaak komt het niet voor dat pruttelende pannen, de geuren in de keuken, het geschuif van borden en bestek op tafel voor de zoveelste keer die herinnering wakkermaakt aan het kind dat men was, en aan de nog vanzelfsprekende zorg van die onverwoestbare gestalte bij het stomende fornuis.

Wanneer krijgt u weer een tentoonstelling, vraag ik bij het afscheid aan Judit Hersko. “Voorlopig niet”, zegt ze, “ik heb net een zoontje gekregen, ik heb mijn handen vol. Misschien zien we elkaar nog eens in Boedapest. De laatste jaren ga ik steeds vaker terug naar waar ik vandaan kom.”