Relieken en de Heiligdomsvaart in Maastricht; Een hot line met gene zijde

In Maastricht werd afgelopen zondag de traditionele Heiligdomsvaart gehouden, met een ommegang, en met het tonen van relieken: onder meer een gordel van Maria en een arm van de heilige Thomas. Nicolaas Matsier ging kijken: “Ik bewonderde de gratie waarmee men een soort van licht vertraagde korte wandelpas beoefende - een religieuze cakewalk.”

Van een kleine opsomming van wat er zoal aan relieken bewaard heet te zijn, kan een mens heel vrolijk worden:

- 'Het kruisje van bergkristal, dat de evangelist Lucas voor Maria gemaakt heeft en dat de moeder Gods bij haar hemelvaart droeg.''

-'Divers gebeente van de onschuldige kinderen in Bethlehem.'

-'Penningen, aangeraakt door de Drie Koningen.'

- 'De borst van Maria Magdalena.'

- 'Aarde van de akker waaruit God Adam gemaakt heeft.'

- 'Een steen van de plek waar God Mozes verscheen in de brandende braambos.'

- 'Een stuk van de boom van waaruit Zacheus Christus zag.'

- 'De steen waarop Jakobs hoofd rustte.'

- 'Zweet van de H. Michael.'

- 'Een veer van de Aartsengel Gabriel, achtergelaten in de kamer van Maria.'

- 'Straal van de ster van Bethlehem.'

- 'De voorhuid van het Kindeke Jezus.'

Het zijn principieel onooglijke dingen, relikwieën. Zoals alleen een verliefde (die verlangt) of een rouwer (die mist) in staat is Iemand te zien in en achter Alles wat zich voordoet, zo moet de reliek bij voorbaat haar ware gelovigen om de vinger hebben gewonden: de vinger van het al voorhanden geloof. Het geloof dat door roeien en ruiten gaat, en dat niet aan het wankelen kan worden gebracht. Eind 1992, begin 1993 is er in het Museum Amstelkring (gevestigd in de voormalige Amsterdamse schuilkerk Ons Lieve Heer op Solder) een kleine tentoonstelling gehouden over relieken. In Hemelse handreiking, de bescheiden bijbehorende publicatie, wordt direct in de inleiding al opgemerkt dat de voorhuid van het kindeke Jezus in de middeleeuwen op elf verschillende plaatsen vereerd werd.

Maar wat je op grond van dat heus wel gekende feit zou kunnen verwachten, dat gebeurde niet: namelijk dat de vraag naar de echtheid zou rijzen. Dat debat heeft, althans in de middeleeuwen, nooit plaats gevonden.

Wel is de kritiek op de relieken en heiligenverering vrijwel zo oud als het christendom zelf. Van Augustinus en Ambrosius, in de vierde eeuw, tot Erasmus, op de rand van de vijftiende en de zestiende, hebben de gelovigen, en niet de geringsten onder hen, zich er uiterst kritisch over uitgelaten. Dat begint niet pas bij de Reformatie.

In het vroegste christendom, zoals bekend meer dan eens bloedig vervolgd in de laatromeinse tijd, speelden de stoffelijke overschotten van de martelaren - degenen die vanwege hun geloof ter dood gebracht waren - een bij uitstek organiserende rol. Om de eucharistie te vieren kwam men op de graven bijeen. De eerste kerken verrezen boven op deze martelaarsgraven. En de overige gelovigen wilden ad sanctos begraven worden: in de directe omgeving van de martelaren. Met enige overdrijving zou je, om de oorsprong van de reliekenverering althans enigszins te begrijpen, kunnen zeggen dat die nog heel kleine, vroege kerken in feite meer dan levensgrote reliekhouders waren. De reliek was zo groot als de heilige zelf. Maar aan de vervolgingen kwam een eind, het christendom breidde zich uit, steeds meer ook onder de intelligentsia, en vanaf keizer Constantijn, vierde eeuw, werd het zoiets als een staatsgodsdienst. Grote delen van Europa werden bekeerd, de kerken werden te klein, hun aantal nam toe, en daar begon het gesjouw met martelaren op gang te komen: van de oudchristelijke gebieden rond de Middellandse Zee naar de nieuwchristelijke in de rest van Europa. Het werd weldra vanzelfsprekend dat elk altaar een reliek bevatte. Vanaf de achtste eeuw werden er lichamen opgegraven en verspreid. Viel aan de vraag naar complete martelaren weldra niet meer te voldoen, pars pro toto - als arm, als kaak, als vinger - vermocht een heilige van toen af even veel.

Waar het op aan kwam, was dat een heilige via zijn of haar reliek geacht werd geheel en al tegenwoordig te zijn, en aangesproken kon worden. En aangezien een heilige naar men dacht na zijn dood direct in de hemel kwam, waar hij net als Christus zetelde ter rechter hand Gods, vormde een reliek een rechtstreekse verbinding naar gene zijde. Een hot line. Met degene die mettertijd jouw voorspraak kon zijn, daarboven, als het erom ging spannen bij het Laatste Oordeel, voltrokken in het uur van jouw dood dan wel later.

Naast die oudste en primaire functie van de heiligen ontwikkelde zich allengs ook een menigte aan specialisaties. Hulp op welk gebied dan ook: je kon het zo gek niet verzinnen of er was wel een heilige voor. Het aantal heiligen is lang blijven doorgroeien. En de sterksten onder hen bezaten ook zelf het vermogen tot uitgroei. De diverse legenden rond een en dezelfde heilige zijn gewoonlijk een soort van groeiringen in zijn carrière. Een nieuw verhaal is, bijna altijd elders, zoiets als een nieuwe lancering. Soms wordt een heilige, na een paar eeuwen weg te zijn geweest, met succes opnieuw geactiveerd. Maar altijd anders - ook al kunnen ze als twee druppels water op elkaar lijken, de ene vita en de andere. Vergelijk bij voorbeeld Sint Eustachius, wiens hert met kruis tussen de horens overging op Sint Hubertus.

Carrières

Achter al die heiligencarrières - waarvan het aardige is dat de biografieën zich altijd met terugwerkende kracht ontwikkelen - zit ongetwijfeld een hoop kerkelijke en/of kloosterlijke politiek. Het gaat niet vanzelf. Niet zelden valt een opkomende cultus samen met een herbouwprogramma van een kerk: fundraising is nooit ver uit de buurt.

Heiligen moeten geld in het laatje brengen, ze moeten pelgrims trekken, ze moeten de naamsbekendheid van een stad of een kerk vergroten. Ze worden in de strijd geworpen tegen concurrerende en al te welvarende kerken vlakbij of elders. Onder meer op dit soort kanten van de zaak vestigt Patrick J. Geary, van Cornell University, de aandacht in zijn boek Living with the Dead in the Middle Ages.

Het vitale belang dat de heiligenverering gehad moet hebben, voor alle betrokken partijen, is misschien alleen maar vaag te bevroeden door het te vergelijken met het belang dat wij tegenwoordig toekennen aan instellingen als het ziekenhuiswezen en de polikliniek (de heilige als specialist), of het bank- en het verzekeringswezen (waar men zijn nabije en wat verdere toekomst in banen tracht te leiden). Het is zeker niet toevallig dat de iconografie van het aan het eind van de vorige eeuw opkomende levensverzekeringswezen rechtstreeks ontleend is aan de kerkelijke kunst. Zie de engelen op de oude kantoorgebouwen. Zoals in Amsterdam het beeld van de Noord-Braband op de hoek van Singel en Haarlemmerstraat, of het mozaïek van de Eerste Hollandsche op de hoek van de Keizersgracht en de Leliegracht.

Aanvankelijk werden de relieken aan de pelgrims getoond in of op de kerk. In Aken bij voorbeeld gebeurde dat vanuit vensters hoog in de toren, terwijl een zogenaamde vocalissimus, aanwijsstok in de hand, met luide stem reliek en heilige in kwestie van toelichting voorzag. Relieken konden ook in processies rondgevoerd worden. Ten behoeve van de pelgrim waren er diverse al dan niet geïllustreerde drukwerken in omloop die tegelijkertijd als gidsen, reliekeninventarislijst, als gebruiksaanwijzing en souvenir fungeerden.

Er waren geestelijke zowel als wereldlijke verzamelaars van relieken. Keurvorst Frederik de Wijze schonk zijn collectie, van op dat moment 5005 relieken, aan de Stiftskerk van Wittenberg - hetzelfde Wittenberg waar Luther in 1517 zijn vijfennegentig Stellingen tegen de aflaat aan de deur van de Slotkerk spijkerde. Ook na Luthers actie groeide de verzameling nog door tot - in 1520 - een omvang van maar liefst negentienduizendendertienstuks. Van deze verzameling, de mooiste van vele, beschreven in het 'Wittenberger Heiligtumsbuch', rijk geïllustreerd met houtsneden van Lucas Cranach, is zo goed als niets over. In 1522 werden de aflaten afgeschaft.

De religieuze toegepaste kunst van de vaak kostbare reliekhouder uit elk denkbaar materiaal, in talloze vormen, is de klap van de reformatie nooit meer te boven gekomen; net zo min als de ermee vervlochten geraakte heiligenverering. Ook al deed de Contrareformatie haar uiterste best, en werd er in de baroktijd door Franciscanessen, Kapucinessen, Karmelitessen, Ursulinen, Dominicanessen en Augustinessen nog hard gewerkt met gouddraad en pailletten - de relieken, nu vaak in de vorm van reis of huisaltaartjes, hadden geen toekomst meer. En wat de Beeldenstorm en de Hervorming hadden heel gelaten in gebieden die minder prompt van het katholicisme afvielen, werd vaak alsnog onklaar gemaakt ten tijde van de Franse Revolutie.

Heiligdomsvaart

Toen ik dit jaar voor het eerst hoorde dat in Maastricht de zevenjaarlijkse zogenoemde Heiligdomsvaart zou plaats vinden, maakte mij dat nieuwsgierig.

Ik wou die relieken wel eens in actie zien. Bestond dat dan nog?

Servatius, de eerste bisschop van Maastricht, tijdgenoot van kerkvader Augustinus, ligt begraven in de naar hem genoemde kerk of liever, in een voorloper van die kerk, naar oudchristelijke gewoonte verrezen op het graf van Sint Servaas. In de achtste en de negende eeuw ontstonden, zoals Louis Goosen in zijn voortreffelijke bij de SUN uitgegeven Van Afra tot de Zevenslapers. Heiligen in religie en kunsten schrijft 'met legenden verrijkte vitae waaraan alle zin voor historiciteit ontbreekt'. Servaas zou een achterneef van Jezus zijn; van Petrus zelf sleutels gekregen hebben, met eraan vijlsel van de verbroken boeien; en hij zou, mooiste van al, met klompen bekogeld de marteldood gestorven zijn. Misschien moest hij het, eeuwen na zijn dood, op kunnen nemen tegen zijn collega missionaris Bonifatius (achtste eeuw) en was dit zijn tegenzet. Schitterend natuurlijk, want daarom is Servaas de patroon van klompen en slotenmakers; ook beschermt hij gewassen tegen nachtvorst, mensen tegen koorts, en vee tegen ziekten.

Louis Goosen vertelt niets over de bron die Servaas - omdat de Jeker droog was gevallen - met zijn staf geslagen heeft in wat nu de Maastrichtse wijk Biesland is. Misschien is dat bronverhaal niet erg in de beeldende kunst doorgedrongen. Van de diverse relieken van Servaas mag vooral de zogenaamde noodkist, uit de twaalfde eeuw, er wezen.

Ik ben een paar keer naar Maastricht geweest. Daar vonden elf dagen lang vele tientallen religieuze evenementen van allerlei aard plaats. Ik heb er de nodige vespers, tentoonstellingen, eucharistievieringen in de open lucht, het klank en lichtspel 'De Christus van de noot', plechtige reliektoningen in de Sint Servaas en in de Onze Lieve Vrouwe, en de grote slotprocessie, de Ommegang, bijgewoond.

'Boe bis diech?' Met die drie Maastrichtse woorden - 'Waar ben je?' - werd het thema van de Heiligdomsvaart aangeduid. Het meest wel heb ik mij bevonden bij de reliektoningen. Waarbij het me opviel hoe gematigd, zo niet bijna licht sceptisch, de dienstdoende clerus zich desbetreffend uitliet. De toon was - kort gezegd - nogal historiserend, als het erop aankwam. Vanuit de relieken werd er via de heiligen in kwestie toch vrij vlug doorverwezen naar - in mijn door een protestantse jeugd getrainde ogen - wezenlijker zaken van meer rechtstreeks bijbelse komaf. Hier werd op geen enkele manier geprobeerd om de reliekenverering nu eens nieuw leven in te blazen.

Trompet

De toning zelf vond ik, theatraal gesproken, schitterend - ook door de dragende functie van het Gregoriaans. Ze waren een beetje verschillend, de toningen in de twee Maastrichtse hoofdkerken. Ik hussel ze nu enigszins door elkaar om het overzichtelijk te houden. Men moet zich voorstellen, als gang van zaken: een korte toelichting op de heilige van wie het een of ander getoond wordt; het tonen zelf; een Gregoriaans gezongen gebed; een Nederlands gesproken idem. En dat dan achter elkaar door, voor reliek na reliek; voorafgegaan en gevolgd door een heel fraaie trompet, zoals wanneer in een opera een vorst zijn entree maakt.

Ik was gefascineerd door het zachte deinen van de relieken, die door witgehandschoende priesters en priesterachtigen werden aangedragen. Daar kwamen bisschoppelijke borstbeelden, een gordel van de H. Maria, een arm van de H. Thomas, een houder met het een of ander van de H. Nicolaas, een Vikingenhoorn uit de achtste eeuw met iets van ene Tranquillus, een martelaar uit het Thebaanse legioen, een verzameling kruisrelieken - en ik vond het prachtig. Het was een komen en gaan. Fototoestellen flitsten. Ik bewonderde de gratie waarmee men een soort van licht vertraagde korte wandelpas beoefende - een religieuze cakewalk, weliswaar minder snel dan die van mannequins en modellen, maar niet in wezen daarvan verschillend. Zij het, uiteraard, dat het hier om iets anders ging, dat getoond moest worden.

Ik riep de H. Thomas in stilte uit tot de heilige der heiligen, en zijn reliek tot de reliek der relieken. Schitterend immers, om van de man die zijn ogen niet wou geloven, de empirist onder de discipelen, degene die de herrijzenis per se eigenhandig wenste te controleren, schitterend om van deze Thomas dan precies de arm en dus de hand, zonder twijfel de rechter, te hebben waarmee hij zijn onderzoek in eigen persoon heeft volvoerd.

Veel minder, terwijl ik daar eigenlijk voor gekomen was, boeide me de Ommegang waarmee de Heiligdomsvaart werd afgesloten. Het weer werd dreigender naarmate de kilometers lange processie het Vrijthof naderde. En ten slotte, jawel: daar begon de regen te vallen. Op honderden priesters en priesterachtigen, Romeinse soldaten, de harmonie uit Heer, geheimzinnige Arabieren, de oude harmonie van Eijsden, Gele Rijders, heuse Christussen op echte grasvelden op trailers achter Range Rovers bestuurd door mannen in witte overhemden, kruisdragers, de nieuwe harmonie van Eijsden, dames in witte blouses, de borstbeelden van de Maastrichtse bisschoppen uit de vierde, de vijfde, de zesde en de zevende eeuw, de gefiguurzaagde Bron van Biesland, de relieksjouwers, de vrome dames en heren in rok, de majorettes, het Zwarte Kruis van Wijk, de mannen met steek en pluim, sabel en hellebaard, het vrouwtje in de gouden jurk dat met geheven handen een boodschap heeft, de kinderen en de zeeverkenners, de drie dames met boeketjes, maar vooral al die muzikanten. Weldra heeft niemand van de optredenden nog een droge draad aan het lijf. Een zekere meewarigheid heeft zich na enige tijd meester gemaakt van de toeschouwers die onder hun paraplu's langs de route staan, of - beter - met een goed glas op de vele overdekte terrassen zitten. Steeds vaker ziet men een kunstzinnig kruis met dragers en al zo'n overdekt terras op vluchten, hun officiële positie in de stoet voortijdig voor gezien houdend. De regen heeft de processie ten slotte dan toch klein gekregen.

Een poosje later sta ik in de normaliter volkomen lege, want niet meer gebruikte prachtige Gothische Dominikanerkerk, jammerlijk gelegen tussen het voormalige Bonnefantenmuseum, thans winkelcentrum, met het uiterlijk van een parkeergarage, en een of ander al even wansmakelijk warenhuis. De kerkdeuren staan thans wijd open. Ernaast, op het plaveisel, staan tientallen onbeheerde blaasinstrumenten. Het schip van de kerk is afgeladen vol met dampende orkestleden, glas bier in de hand. De zon breekt door, en weldra lijkt het er sterk op alsof de harmonieorkesten nu, ontslagen van hun religieuze verplichtingen, eens goed ademhalen om hun overige, minder plechtstatige repertoire ten gehore te brengen. Zo op het oog geheel ongeorganiseerd, trekken de orkesten vrolijke wijsjes spelend her en der door Maastricht. De Heiligdomsvaart zit er weer op, er is acte de présence gegeven.