Poseren voor schilderende vader

Esther Freud: Gaglow. Hamish Hamilton, 243 blz.ƒ 52,80. In september verschijnt de vertaling bij De Bezige Bij.

De schrijfster Esther Freud zal er wel doodziek van worden, maar het is veel te interessant én relevant om onvermeld te laten: ze is de achterkleindochter van Sigmund Freud en de dochter van de Engelse schilder Julian Freud. Sigmund kan er altijd bijgehaald worden om het talent van de schrijfster voor psychologische aspecten te onderzoeken - dat voldoet.

Julian Freud, net als Francis Bacon schilder bij uitstek van het ongeïdealiseerde menselijk lichaam, speelt een rol in Esther Freuds nieuwe, derde roman. In een interview met Reinjan Mulder voor deze krant verklaarde Esther Freud bij het verschijnen van de Nederlandse vertaling van Hideous Kinky (De kleur van henna, 1994), dat ze heel graag schrijver wilde worden, maar eigenlijk niets heeft om over te schrijven. Ze moest zich voor Hideous Kinky en Peerless Flats (Bestrijd de vossen) noodgedwongen beperken tot haar eigen leven, dat in 1963 begon en gelukkig voor ons boeiend genoeg is. Hideous Kinky ging, vanuit een kinderperspectief, over de jaren waarin haar hippiemoeder met twee kinderen en een oud busje door Marokko trok. In Peerless Flats beschreef ze de ontdekkende adolescentiejaren van een meisje in de jaren zeventig in Londen.

Nu, met Gaglow, is ze bij het volwassen leven van een jonge alleenstaande moeder aangeland, waarbij de schrijfster een scherp en teder oog heeft voor haar pasgeboren zoontje. De baby-observaties in Gaglow zijn verrukkelijk. 'He was on his back with his arms up by his head, his fingers, still wrinkled with loose skin, curled out like a starfish, and collected in the sweet pout of his mouth was a tiny row of bubbles.'

In Gaglow zet Esther Freud tevens de stap naar een andere persoon, en een andere tijd. De helft van de roman, waarin een replica van de schrijfster met haar baby poseert voor haar schilderende vader, speelt in Londen begin jaren negentig. De andere helft, waarover de vader zich af en toe iets laat ontvallen, gaat over de voorgeschiedenis van zijn joodse familie in Duitsland, met name de oorlogsjaren van 1914-1918. Hier past de schrijfster wel weer de techniek toe die ze zo bewonderenswaardig goed beheerst: het perspectief van het kleine meisje dat kijkt en veel ziet maar zelf lang niet alles begrijpt.

Het kleine meisje Eva Belgard, met haar twee zussen en onheilspellend innig geliefde broer, is de grootmoeder van de poserende jonge moeder Sarah van het Londense gedeelte. Sarah, door haar minnaar in de steek gelaten toen hij hoorde dat ze zwanger was, raakt geïntrigeerd door haar vaders opmerkingen over het landgoed van zijn grootouders, dat na de val van de Muur weer binnen het bereik van de familie in het Westen is gekomen. De een wil er een time-share vakantielandgoed van maken, een ander wil het verhuren, een derde zou het grif aan de Duitsers schenken om deze milder te stemmen jegens het joodse volk. Sarahs vader wil niets meer met de Duitsers te maken hebben en ook niet met zijn eigen familie, niet met zijn voorouders en maar heel zelden met zijn eigen drie kinderen van drie verschillende vrouwen.

De lezer heeft te maken met twee verhalen die slechts zijdelings, door wat familiebloed, aan elkaar raken. Het Duitse gedeelte gaat over een vervlogen verleden. Een rijke joodse familie levert om de Kaiser mild te stemmen gratis graan aan het leger, waardoor ze in de loop van de oorlog volstrekt verarmd raakt en de goudstukjes in de kinderspaarpotjes moet gebruiken om in leven te blijven.

Deze, de schrijfster niet vertrouwde wereld, weet Freud prachtig op te roepen, evenals de diverse personages: de mama met haar vijf verwende whippets, haar grove manieren - ze rookt - en haar pogingen om in het gevlij te komen bij haar dochters. Die hebben echter gekozen voor hun gouvernante Frau Schulze, 'Schu-Schu', die hun rare verhaaltjes over hun moeder vertelt tot ze op een dag spoorloos verdwenen is. De vader, die net doet of hij naar zijn in wezen failliete kantoor gaat, maar in plaats daarvan in de Tiergarten rondzwerft, kwijnt weg en slaagt er op den duur letterlijk niet meer in overeind te blijven. De veelbelovende zoon Emanuel doorstaat een Russisch krijgsgevangenschap, maar komt daar als een vreemde, stille, hinkende man uiten trouwt met een vrouw van zeer laag allooi. En ten slotte Schu-Schu, die een cruciale rol in de familiegeschiedenis blijkt te hebben gespeeld. Al deze figuren weet de schrijfster overtuigend tot leven te brengen, zij het dat de nare gevoelens van afkeer en afgunst wat onderbelicht blijven. Deze schrijfster houdt van aanstippen, dat is haar kracht. Ook haar zinnen zijn wondertjes van sobere helderheid, maar in dit geval was een uitvoeriger behandeling van de onderlinge narigheid welkom geweest.

Het moderne deel van de roman dat in Londen speelt, kent een tweetal gebreken. Een in de vorm van een hartsvriendin die op haast karikaturale wijze opgaat in het versieren van en zich verliezen in steeds de verkeerde mannen. Het tweede is de love story tussen de jonge moeder en de vader van haar zoontje. Die is schematisch en voorspelbaar, en loopt op koddig romantische wijze af als de man zich op het allerlaatste moment in het vliegtuig slingert waarin zijn ex met baby op het punt staat weg te reizen. De beste stukken van dit gedeelte zijn, behalve de babygenietingen, de fragmenten waarin de schilder Michael/Lucian optreedt. Opgaand in zijn doek, afwezig mompelend, en toch indrukwekkend. Omdat je weet wie er bedoeld wordt, zie je ook het Freud-schilderij streek voor streek ontstaan. Prachtig.