Paniek regeert de tekst

Wouter Donath Tieges: Maanzaad. Contact, 254 blz. ƒ 36,90

Wie zoekt naar een overzichtelijk verhaal in Maanzaad, de roman die Wouter Donath Tieges vlak voor zijn dood (14 mei 1996) voltooide, komt bedrogen uit. Er is eerder een situatie, die als uitgangspunt dient voor een door de verschillende hoofdstukken amper bedwongen gedachtenstroom. Die situatie is niet alledaags. Eduard (Eddy) Maanzaad lijdt aan een chronische nierkwaal en blijft alleen in leven dankzij frequente dialyses met een kunstnier - totdat een transplantatie hem op zekere dag van een nieuwe nier voorziet. 'Kon hij weer helemaal van voren af aan beginnen', is de karakteristieke reactie. Als 'chronisch patiënt' gewend aan een leven zonder toekomst, moet Eddy opeens wennen aan het idee weer 'gezond' te zijn, iets wat hem niet eenvoudig afgaat, zoals trouwens niets in zijn leven.

'Het is zo gemakkelijk om het je moeilijk te maken', luidt de sleutelzin van het boek waarin Tieges van zijn alterego Eddy Maanzaad, nu eens in de ik-vorm en dan weer in de hij-vorm, een even vermakelijk als pijnlijk zelfportret presenteert. Diens gedachtenwereld wordt van binnenuit blootgelegd, en zoals dat vaker met gedachten gaat, ze springen alle kanten op. Naar Eddy's moeder, naar zijn twijfelachtige carrière als voetballer, naar zijn door 'levensangst' belemmerde houding tegenover vrouwen (al is hij wel getrouwd, met 'Madame', een gevolg zelfs van 'liefde op het eerste gezicht'), naar zijn werk op kantoor, naar zijn ziekte, naar de transplantatie van de nieuwe nier die hij te danken heeft aan het feit dat zijn donor op de rondweg van Dordrecht is doodgereden.

Het hoogtepunt en tevens slot van de roman is een meer afstandelijk verteld verhaal over een zekere 'Meneer Eduard', met wie niemand anders dan dezelfde Eddy Maanzaad wordt bedoeld. Tot zijn eigen schrik en vreugde wordt de vijftig-jarige employé verliefd op een veel jongere werkstudente die ten burele de kantine beheert. Een tragi-komisch relaas is het gevolg, waarin voor het eerst niet meer de ziekte Maanzaads grootste probleem vormt, maar de leeftijd. Ook het bestaan van gewone, niet zieke mensen kent zijn beperkingen, moet 'Meneer Eduard' ondervinden.

Soelaas bieden, zij het evenmin op onproblematische wijze, de literaire aspiraties die Maanzaad angstvallig koestert in de afzondering van zijn zolderkamertje. Daar krijgt de warboel van zijn binnenwereld vorm en toon, zonder dat de warboel zelf teniet wordt gedaan. Want de paniek schemert steeds bijna tastbaar onder het oppervlak, ondanks alle pogingen tot relativering door middel van ironie en zelfspot. Al schrijvend zit Maanzaad zichzelf op de hielen, in de hoop de chaos (en in laatste instantie: de doodsangst) onder controle te houden door er ten minste taal van te maken.

Als taal blijft de chaos echter intact. Aan het gladstrijken van oneffenheden doet Tieges niet, en daardoor komt zijn proza tot leven. Ook de woorden krijgen bij hem nooit iets vanzelfsprekends: 'Haast geen woord dat ik schrijf past bij de andere, ik hoor hoe de medeklinkers blikkerig op elkaar volgen en de klinkers zingen erbij als shownegers. Mijn twijfels staan in een kring om ieder woord...' De paniek regeert de tekst en geeft er kleur en karakter aan.

Als jonge voetballer excelleerde Maanzaad in het geven van voorzetten, terwijl anderen de doelpunten scoorden. Net zo bestaat de roman, zou je kunnen zeggen, uit een aaneenschakeling van voorzetten, opgeworpen suggesties en gedachten die even worden gevolgd om dan geruisloos in een nieuwe associatie over te gaan. Maar de goals worden ditmaal door hemzelf gemaakt. In de tekst nemen ze de vorm aan van geslaagde, bijna aforistische zinnen, die even oplichten in de woordenstroom en het leven dat zich hier tracht uit te drukken bondig samenvatten. 'Verontschuldigingen zijn een mens vaak te snel af wanneer zijn leven zelf een excuus is', lezen we bijvoorbeeld, of: 'Van het nieuwe wordt alleen genoten als het eraf is'.

Een gemakkelijk mens is deze Maanzaad inderdaad niet, voor zichzelf noch voor anderen. Als we de tekstbezorgers mogen geloven gold hetzelfde voor de auteur; toen zij het manuscript in handen kregen, merkten zij hoe 'sterk autobiografisch' de roman in feite was. Wie Wouter Donath Tieges, behalve schrijver en dichter ook criticus, vertaler en redacteur bij uitgeverij Meulenhoff, niet persoonlijk heeft gekend, heeft weinig aan zo'n mededeling. Hij of zij kan de tekstbezorgers alleen maar op hun woord geloven en hen dankbaar zijn dat zij, zoals het in het nawoord enigszins besmuikt heet, het manuscript 'slechts met de grootste terughoudendheid' hebben gecorrigeerd.

Terecht, want ook al heeft Maanzaad niets van een gave klassieke roman, juist aan de weerbarstigheid van vorm en taal ontleent hij zijn onmiskenbaar authentiek aandoende charme.