Niets dan kip en geen kop

Niet lang geleden schreef ik hier over C.W. Rietdijk , de auteur van Een filosofie voor het cybernetisch-biotechnische tijdperk (1967), 2 delen De Contra-revolutie tegen de rede (1975 en 1977), The Scientifization of Culture (1994), en het aangekondigde Wetenschap als bevrijding.

Dat laatste boek is intussen verschenen; de schrijver suggereerde in een ingezonden brief dat ik geen oordeel over zijn denkbeelden kon hebben voor ik ook dat laatste boek had gelezen. Welnu, ik heb dat gedaan en, zoals te voorzien was: Wetenschap als bevrijding is gewoon van hetzelfde laken een pak. Het is weer, net als de andere boeken, 'all sail and no anchor'; een uitdrukking die wel speciaal voor C.W. Rietdijk moet zijn uitgevonden. In ons huidige cybernetisch-biotechnische tijdperk zou dat misschien kunnen worden vertaald met 'Niets dan kip en geen kop'.

Dat is teleurstellend, zoals het hele fenomeen Rietdijk teleurstellend is. Bij eerste kennismaking, en tot op zekere hoogte ook bij elk volgend boek, laatje je even meeslepen door bepaalde ongebruikelijke (en ongemakkelijke) denkbeelden tussen de massa's 'Lichtkogels' die Rietdijk in zijn boeken over jeheen kiepert (dat was kennelijk ook het geval met Gerry van der List, die in DeVolkskrant en HP/De Tijd nogal enthousiast over hem heeft geschreven), maar dan dringt al spoedig tot je door dat je bezig bent steeds verder af te dwalen van de weg der rede en het gezonde verstand.

Het verleidelijke is Rietdijks pretentie van wetenschappelijkheid en strenge rationaliteit. 'Het consistente in mijn werk,' schrijft hij, 'is vooral dat de rationalistische denkwijze van de bèta wetenschappen ook respectloos op menselijke zaken wordt toegepast.' Dat houdt een grote belofte in, net als de fraaie formule dat we streven naar 'het niet langer vergeefs zijn van argumenten'.

Maar het blijken al snel loze kreten te zijn. Zo beroept Rietdijk, aangesproken op zijn penchant voor het paranormale, zich op het argument 'dat twee derden van alle Amerikaanse hoogleraren meent dat het bestaat'. Dat deed hij in die ingezonden brief en ook in dit laatste boek komt het weer in dezelfde bewoordingen voor. En dat is nu juist precies het soort argument dat in een rationeel betoog verboden is. Het beroept zich niet op de rede maar op autoriteit en het maakt dat je Rietdijk niet meer au sérieux kunt nemen. Zo liggen dus de zaken: met betrekking tot wetenschap en techniek, de vooruitgang en de Verlichting ben ik het vaak met hem eens, al is ook daar het een en ander over te zeggen. Maar zodra het over het paranormale gaat krijg je passages als: 'Tenslotte zij vermeld dat de parapsychologen vrij algemeen aannemen dat de psi-vermogens algemeen menselijk zijn, waaruit het dan weer waarschijnlijk lijkt dat ze evenals andere vermogens een functie vervullen in het leven...' - een adderknoop van ongeoorloofde redeneringen: een gratuite veronderstelling wordt ontleend aan wat 'de parapsychologen' 'vrij algemeen aannemen', gevolgd door het veronderstelde tot gegeven maken: het beweerde is juist de vraag, maar wordt met behulp van vage formules (het is niet, het lijkt) gepresenteerd als evidentie voor een al even gratuite 'waarschijnlijkheid'. Zulke kletspraat is in Rietdijks werken niet incidenteel maar endemisch, en het resultaat is dat die gespierde taal over de wetenschappelijke methode alle geloofwaardigheid verliest.

Er is nog een onderwerp dat ditzelfde effect heeft: Rietdijks visie op de moderne kunst. Die visie is de met zeldzame naïveteit en koppigheid volgehouden gedachte dat avant-garde literatuur en kunst berusten op boerenbedrog. De opinie van Amerikaanse hoogleraren komt er hier niet aan te pas.

Het zijn vooral zijn denkbeelden op dit terrein die duidelijk maken hoe zijn denken in dertig jaar geen enkele evolutie heeft ondergaan. Alle ideeën van Rietdijk zijn idées fixes. Zo is het duidelijk dat hij zich in 1972 moet hebben geërgerd aan het toekennen van de P.C.Hooftprijs aan Gerrit Kouwenaar, voor in zijn ogen onbegrijpelijke poëzie. Ik sprak van koppigheid: sindsdien komt hij daar telkens weer op terug, jaar in jaar uit, al bijna dertig jaar lang telkens opnieuw dezelfde fragmenten citerend, zodat je je afvraagt of hij ooit wel eens iets anders van Kouwenaar onder ogen heeft gehad.

Ook in dit laatste boek wordt Kouwenaar weer op niet minder dan vijf plaatsen genoemd. En wie om soortgelijke redenen ook vijf keer wordt vermeld is Remco Campert - wat nog merkwaardiger is, want Campert is nu juist zelden obscuur. Maar Rietdijk heeft zich lang geleden in het hoofd gezet dat 'Remco' een personificatie is van zo'n losbandige dichter die wartaal schrijft en daar waarachtig nog eer mee inlegt: “Gek hè, dat nou niemand, niemand die Pinters en die Remco's en die kop-noch-staart-verhaaltjes doorprikt...”

Het is net zo provinciaal en naïef als die Chinese ambassadeur in Londen die ervan overtuigd was dat alle naakte vrouwenbeelden in de stad Koningin Victoria voorstelden. Zelfs in het indeterminisme van de moderne natuurkunde vindt hij Gerrit Kouwenaar terug: “Het is alsof Gerrit Kouwenaar rondwaart in de fysica”. We leven “in de tijd van K. Schippers, Bart Tromp, Remco Campert en de avant-garde, nu poep, pies en het Anti-Racisme over de buis vliegen”. Motieven die je telkens tegenkomt zijn Rietdijks preoccupatie met de P.C. Hooftprijs en zijn afkeer van het verheerlijken van 'leegte', zoals hij gelooft dat veel schrijvers doen: “..een literatuur die het incidentele, het subjectieve, het toevallige, het chaotische of zelfs het absurde vooropstelt,” zoals “de produkten van de Pinters, de Osborne's, de Albees, de Remco Camperts, de Fermin (sic) Vogelaars en de Kouwenaars (-) door de omstandigheid dat zij in feite de mens ervan afhouden, op essentiële frustraties te reageren met intelligent handelen”. Een boek later: “'t Is eigenaardig. Een poos geleden is er ook iemand geweest die bezig was met een leeg moment. Wat zeg ik? Hij schreef er een heel boek over! Rondom de leegte heette het en die meneer heette Verhoeven. Maar dat was niet het gekke. Het gekke was dat hij nu óók precies de P.C. Hooftprijs kreeg!” Merk op dat ook hier het postulaat weer als bewijs wordt gebruikt.

Wat na een poosje ondragelijk wordt is die ingezonden brievenschrijverstoon, voortdurend terechtwijzend en impliciet zichzelf aanprijzend.

Waar het op neerkomt is dat wat Rietdijk te vertellen heeft over de hele linie devalueert doordat het in dienst blijkt te staan van een primitief wereldbeeld, waarin de correctie van het gezond verstand juist ontbreekt in plaats van er het ordenend beginsel van te zijn. Een krachtig samenzweringsgeloof, een worsteling met inferioriteitsgevoel en banale afgunst (ook daarover zijn bladzijden vol met de zonderlingste citaten te geven) zijn vrees ik de sleutels tot Rietdijks door hemzelf voortdurend aangeprezen 'non- conformisme'. Het is het inzicht te maken te hebben met een persoonlijk psychodrama inplaats van rationele overwegingen dat zijn beweringen ontkracht en verdacht maakt, zoals zijn plannen om 'minderwaardige mensen' te castreren of liever nog wat hij noemt te 'euthanaseren'. Je schrikt al doordat duidelijk niet onderkend wordt wat daarbij afgezien van al het andere het eigenlijke probleem is: de vraag wie dat moet beoordelen, welke mensen 'minderwaardig' zijn - en de angst slaat je werkelijk om het hart bij de gedachte dat Rietdijk, met dat provinciale wereldbeeld en dat verminkte ego van hem, dat kennelijk zelf zou willen doen. Wat ik vooral betreur is dat Gerry van der List dit niet inzag.

...Au loin très loin de Brest