'Mijn lijf is niet zo meegaand als mensen vaak denken'

Gisteravond nam Rachel Beaujean, danseres van Het Nationale Ballet, afscheid van het publiek. Morgen staat Jeanette Vondersaar, ook een gezichtsbepalende danseres van het gezelschap, voor het laatst op het podium. “Niet zeuren”, zegt ze: “Het maakt me vrij voor wat er verder op mijn weg komt”.

'Isadora' wordt gedanst door Jeanette Vondersaar na Three Pieces for HET. 21 juni, Het Muziektheater. Res.( 020) 625 54 55

AMSTERDAM, 20 JUNI. Ze wilde het niet te vaak horen, maar soms was het wel grappig als collega's haar gekscherend “de dansende oma” noemden. Dat is Jeanette Vondersaar ten slotte al vijf jaar. Zesenveertig is ze nu en morgenavond neemt ze afscheid van Het Nationale Ballet waar ze 21 jaar gedanst heeft. Ze is uitzonderlijk oud - de meeste dansers stoppen rond hun achtendertigste - maar als het aan haar gelegen had, was ze nog wel even doorgegaan.

“Ik kan het allemaal nog, voel me nog fit genoeg. Maar de directie wilde deze keer mijn contract niet verlengen, omdat er volgend seizoen te weinig voor me te doen zou zijn. Het zat erin. Ik heb me al een tijd verzoend met de gedachte dat ik eens zou moeten stoppen. Vanaf 1992 geef ik hier al les en studeer ik balletten in: ik hoopte dat ik balletmeester zou kunnen worden, maar dat wordt Rachel Beaujean nu. Waarom weet ik niet goed, misschien omdat Rachel ook organisatorische taken op zich neemt.”

Vondersaar doet haar verhaal met een stralende glimlach. “Zou het iets veranderen als ik verbitterd of teleurgesteld zou zijn?” vraagt ze retorisch. “Ik wil geen negatieve gedachten toelaten, ik heb een prachtige danscarrière achter me. De beslissing is weliswaar door anderen voor mij genomen, maar dat is niet altijd slecht. Niet zeuren, het maakt me vrij voor wat er nu verder op mijn weg komt; ik ben ervan overtuigd dat het me zal lukken ook op een andere manier gelukkig te worden. Wel wil ik in de danswereld actief blijven. Hier zullen ze me nog weleens vragen voor lessen en instuderingen en ik ga volgend seizoen Rudi van Dantzigs Ginastera instuderen bij het Pacific North West Ballet in Seattle en Kurt Jooss' De Groene Tafel bij het Geoffrey Ballet in Chicago. Het is dus zelfs zo dat ik blijf dansen, want ik doe altijd alles voor.”

Vondersaar, geboren in Indianapolis (VS), kreeg haar opleiding bij Gay Besser Shields, Jack Copeland en aan de Harkness Ballet School. Op vijftienjarige leeftijd werd ze door grootmeesterchoreograaf Balanchine gevraagd toe te treden tot het New York City Ballet, maar ze vond de sfeer er niet prettig. “Te veel rivaliteit en ik besefte nauwelijks wat ik afsloeg”. Na een korte verbintenis met de Harkness Ballet Company en het Zürich Opera Ballet, belandde ze als tweede soliste bij Het Nationale Ballet. Een jaar later werd ze al tot eerste soliste bevorderd. Danseres by nature, met een moeiteloze beheersing van de techniek: dat is Vondersaars imago. Een soort 'tank' - ze beaamt de vergelijking lachend -, krachtig, sterk en dynamisch, maar, ondanks haar opvallend gespierde lijf, ook overtuigend in het lyrische werk.

Ze danste hoofdrollen in Romeo en Julia, The Sleeping Beauty en Het Zwanenmeer, in onder meer Aartsengelen slachten den Hemel Rood en Buigen of Barsten van Rudi van Dantzig, in Dodeneiland en Zevende Symfonie van Toer van Schayk en in Vijf Tango's, Twilight en Adagio Hammerklavier van Hans van Manen en in balletten van George Balanchine en Martha Graham.

“Ik heb geen echt moeilijk lijf, maar zo meegaand als mensen vaak denken is het ook niet. Tijdens mijn loopbaan heb ik twee operaties aan mijn knie en een aan mijn voet ondergaan, mijn arm is uit de kom geweest, mijn enkelbanden zijn eens gescheurd en twee dagen voor de viering van mijn twintigjarig jubileum brak ik mijn teen. Bij het applaus kon ik niet bewegen en in de coulissen stond een stoel klaar, maar tijdens het optreden gaf ik gewoon het volle pond.”

Dat is geen bijzondere verdienste, vindt Vondersaar, het ligt “simpelweg in mijn aard risico's te nemen”. Toen zij op negentienjarige leeftijd zeseneenhalve maand zwanger was van haar enige kind, maakte ze nog 'huizenhoge sprongen', zodanig dat de foetus in een omgedraaide positie kwam te liggen en ze bijna een miskraam kreeg. “Kracht heeft iedereen altijd als mijn specialiteit gezien, maar er gaan twee verschillende mensen in mij schuil. Ik ben ook dol op het zachte, vloeiende werk. Romeo en Julia is het ballet dat ik misschien wel het liefste danste.”. En dan zegt ze, met de nodige schroom: “In Hans van Manens Pose stond een groep macho-achtige vrouwen tegenover de kickbokser Paul Blanca. Ik kan het nog steeds niet uitleggen, maar ook al door moeilijkheden in mijn privé-leven kon ik die rol gewoon niet opbrengen. Het is de eerste en enige keer geweest dat ik mijn medewerking geweigerd heb en hoewel Hans zei er begrip voor te hebben, geloof ik dat het daarna nooit meer goed is gekomen tussen ons. Dat ik niet toch aan dat ballet heb meegedaan is het enige dat ik betreur”.

Vondersaar, in 1993 winnares van de Alexandra Radiusprijs en in 1994 van de Gouden Theaterdansprijs, neemt afscheid met de korte solo Isadora, geïnspireerd op het leven en werk van de danseres Isadora Duncan. Rudi van Dantzig maakte het werk, dat voor één avond ingepast wordt in het lopende juni-programma van Het Nationale Ballet, in 1976 speciaal voor haar. Als ze na afloop van het gesprek naar de studio gaat om met de pianist de tempi van Brahms' muziek vast te leggen, danst ze het stuk, voor het eerst na vier jaar, drie keer achter elkaar voluit. “En we zouden het alleen maar even doornemen!” protesteert de pianist. Bezweet en hijgend verontschuldigt ze zich: “Ja, het spijt me. Ik kan niet anders.”