Leed en lustgevoel

Sudhir Kakar: The colours of violence; cultural identities, religion, and conflict. The University of Chicago Press, 1996, 217 blz. ƒ 38,20

De ene bevolkingsgroep eet koeien, de andere vereert ze als heilige dieren. Hoe kunnen mensen met zo verschillende geloofsovertuigingen elkaar verdragen? Dat is niet alleen een probleem van India, maar van Noord-Ierland, het Midden-Oosten, voormalig Joegoslavië, Zaïre en talloze andere plekken op aarde.

De schrijver Sudhir Kakar leeft in Delhi. Hij is Indiër, opgeleid in Frankfurt en van afkomst hindoe. Als wetenschapper is hij een geziene gastdocent aan verschillende Amerikaanse universiteiten. Hij is behalve auteur als praktiserend psychoanalyticus tevens 'waarnemer en commentator van haat en liefde'. Meestal schrijft hij over sociaal zowel als psychologisch interessante onderwerpen, gelardeerd met voorbeelden uit zijn eigen praktijk. Daarnaast doet hij veldwerk als antropoloog.

In Intimate relations; exploring Indian sexuality gaat Kakar uitvoerig in op de man- en vrouwverhouding en de ondergeschikte positie van de vrouw. Zij telt alleen mee nadat zij een zoon heeft gebaard. Uit zijn The inner world: a psychoanalytic study of childhood and society in India blijkt zijn verwantschap met Erik Erikson, de biograaf van onder andere Gandhi. Prachtig veldwerk is Shamans, mystics and doctors, dat opent met het sympathieke verhaal van een negentigjarige 'pir', een moslim-wijze en genezer, incontinent en desondanks zeer indrukwekkend. Zijn recente The colours of violence; cultural identities, religion, and conflict gaat over het geweld in India tussen de hindoes en de moslims, die daar na tien eeuwen overheersing door de deling van 1947 in de minderheid zijn geraakt.

Kakar is in staat kennis van sociologie, cultuur en geschiedenis te combineren met zijn inzichten als psychoanalyticus, zonder daarbij te vervallen in vakjargon. Hij schrijft in een persoonlijke stijl en verbeeldt zich niet dat hij een objectieve en neutrale waarnemer is. Hij laat de lezer delen in zijn reacties op de gebeurtenissen. Eerlijk komt hij uit voor zijn eigen opwinding tijdens etnische rellen in zijn kindertijd in 1947. Het boek gaat onder andere over het lustgevoel dat men kan beleven terwijl anderen leed wordt aangedaan. Seksualiteit komt gemakkelijk in verbinding met agressie als de sadistische fantasieën van 'het kind in de man' worden aangesproken. Het gaat niet om ziekelijke uitwassen, maar om de 'normale' beleving tijdens onlusten die extreem is. Een rel is zeer lichamelijk: alle emoties, zowel angst als woede, worden verveelvoudigd, de groepsnorm beheerst het individu.

Kakar maakt duidelijk hoe het gevoel van eigenwaarde te maken heeft met de identiteit van de groep waartoe men behoort. 'Het narcisme van het kleine verschil' (Sigmund Freud, 1930) wordt enorm opgeblazen om een 'wij-gevoel' te creëren. De ander wordt een buitenstaander en, als men zich bedreigd voelt, een tegenstander, die aangevallen moet worden om de eigen groepseer te verdedigen. Het gaat meestal om twee groepen die eenzelfde territorium bewonen, dezelfde lucht inademen, en daardoor juist moeite hebben hun aparte identiteit te behouden.

De groepsidentiteit is gebaseerd op een gemeenschappelijke geschiedenis, maar ook, en dat is gevaarlijker, op een geloofsovertuiging. Hoewel zulke conflicten 'etnisch' worden genoemd, gaat het vaak om bevolkingsgroepen met een min of meer identieke afkomst. De moslims in India - die hun identiteit graag afleiden van Turkije, Perzië of de arabische landen - zijn grotendeels bekeerlingen. De moslims waren vaak de armste hindoes, die die zich alleen van het kastesysteem konden ontdoen door moslim te worden.

Toch bestrijdt Kakar dat het vooral economische motieven zijn die mensen tegen elkaar opzetten. De beleving van het eigen zelf ('wie ben ik') is belangrijker. Kakar kwam daar achter door vaak zeer intieme interviews met geweldplegers en de slachtoffers in Hyderabad, waar hij onderzoek deed nadat er in 1990 heftige onlusten waren uitgebroken. Zijn gesprekspartners onthulden hun subjectieve motieven. Het blijken geenszins psychopaten te zijn, ze hebben evenmin moeilijkheden in de sfeer van hun mannelijkheid en het bewijzen van zichzelf. Hoewel autoritair en geneigd tot actie als 'antidepressivum' verschillen ze voor het overige niet van anderen. Van afkomst arme en ongeletterde jongens worden uitverkoren om een opleiding te krijgen (en meer eten) in de inheemse cultuur van de traditionele vechtsporten, waar (seksuele) ascese een grote rol speelt. Zij helpen de rechten van de armsten verdedigen en geraken op die manier tot macht en leiderschap.

Maar politieke leiders en de economie kunnen volgens Kakar het sociale geweld niet veroorzaken, zonder dat mensen eraan meedoen om redenen die een psychologische verklaring vereisen. Het is dan ook het moderniseringsproces en de globalisering - waardoor mensen hun cultuur, zekerheden, dorpsgemeenschap, ambacht, en traditionele moraal verliezen - die angstig en onzeker maken. Miljoenen in sloppenwijken voelen zich gekrenkt en hulpeloos overgeleverd aan krachten waar ze geen vat op hebben. Dit maakt hen tot een gemakkelijke prooi van fundamentalisme en fanatisme. Het morele gelijk van de religie ondersteunt het gekwetste zelfgevoel en sanctioneert elke vorm van geweld in naam van het rechtvaardige doel. Het gemeenschapsgevoel doet de rest: de ander wordt afgeschilderd als onmens, duivel, een kwaad dat moet worden uitgeroeid. Hij dient als reservoir waarin ongewenste eigenschappen kunnen worden gedumpt. Het vernederen van het collectieve zelfgevoel van de tegenstander is het hoogste doel. De gruwelijkste wreedheden worden moreel acceptabel op twee voorwaarden, namelijk dat ze op religieus gevoel èn op gemeenschapsgevoel zijn gebaseerd. Zelfs Kakar valt het moeilijk empathie op te brengen voor mensen die geen enkele invloed op hun lot uitoefenen. Een totaal machteloos slachtoffer van geweld roept - in tegenstelling tot de tragische figuur - geen medelijden, geen medeleven op.

Het 'culturele geheugen' vormt zo de imaginaire basis voor een dito identiteitsgevoel. De kans op vreedzaam samenleven lijkt echter steeds geringer te worden. Het onvermogen om te rouwen over geleden verliezen maakt dat wraak en weer wraak eindeloos moeten worden herhaald. De gevolgen van de Tweede Wereldoorlog bij de naoorlogse generaties (inmiddels bekend als 'transgenerationele transmissie van trauma') zijn algemeen bekend. Onverwerkte trauma's van ouders leiden tot psychische problemen bij hun kinderen. Bij inter-etnische conflicten, zoals in India of in Joegoslavië, leidt het tot de behoefte de vernedering van de ouders te wreken. Een meeslepend boek dat werkelijke inzichten biedt.