India is een cultureel kerkhof; Gesprek met schrijver Niradh Chaudhuri

“India mist het vermogen zelf nog cultuur van betekenis voort te brengen,” zegt de 99-jarige Indiase schrijver Niradh Chaudhuri. Gesprek met de auteur die woont in Oxford, waar hij werkt aan een studie over het culturele verval in de wereld in het algemeen.

Niradh Chaudhuri, het eeuwige enfant terrible van India, is inmiddels 99 jaar oud. De kwelgeest van de politieke en culturele elite in New Delhi en Calcutta is halfblind en doof aan één oor. Hij kan zich, op pantoffels en gehuld in zijn traditionele Bengaalse lendendoek, nog slechts schuifelend voortbewegen van de ene boekenkast naar de andere. Maar zijn geest is springlevend en uit zijn woning in een vredige buitenwijk van Oxford blijft de bijna-honderdjarige vlijmscherpe pijlen afvuren op zijn moederland, waar het culturele verval volgens hem niet meer is te stuiten.

“Ik heb sinds mijn komst hier in 1970 nooit de geringste behoefte gehad om naar India terug te keren”, verklaart Chaudhuri, die op 23 november 1897 in het toenmalige Bengalen werd geboren. “India is een slap aftreksel van het Westen geworden, een cultureel kerkhof met alleen wat tempels en forten waar toeristen op afkomen. Het mist het vermogen zelf nog cultuur van betekenis voort te brengen”.

Onverwacht komt deze teloorgang niet voor de grand old man van de Indiase essayistiek. Een kleine vijftig jaar geleden voorspelde hij in zijn geruchtmakende The Autobiography of an Unknown Indian al dat er weinig meer te redden viel voor de Indiase cultuur. “Het is te laat om ambitieus te zijn”, schreef hij destijds, tot woede van veel Indiase nationalisten, die juist meenden aan de vooravond te staan van een nieuwe roemrijke periode in de Indiase geschiedenis.

Chaudhuri, zelf hindoe van huis uit, betoogde op overtuigende wijze dat de door hindoe's gedomineerde Indiase cultuur volkomen was vastgeroest in oude, lege rituelen, die niets meer met de moderne tijd hadden uit te staan. Het hindoeïsme was geleidelijk gemummificeerd geraakt en miste de geestelijke kracht om nieuwe inspiratie te putten uit andere, meer dynamische culturen.

Daarbij dacht Chaudhuri in de eerste plaats aan de Westerse beschaving, die hij van jongs af aan bewonderd heeft. Niet voor niets droeg hij, tot onuitsprekelijke ergernis van de Indiase nationalisten, zijn boek op aan de nagedachtenis van het zojuist ontbonden Britse koloniale rijk in India, met de woorden dat 'alles wat goed was en in ons leefde gemaakt, gevormd en bespoedigd was door dezelfde Britse heerschappij'.

De boekenkasten in Chaudhuri's woonkamer puilen uit van de klassieke werken van de Westerse beschaving. De schrijver heeft zich niet louter met de gedrukte voortbrengselen van de Westerse cultuur omringd. Aan de wand prijkt een kopie van een zeegezicht bij Antibes van Claude Monet. “Het is nageschilderd op echt doek en heeft me liefst 500 pond gekost”, vertelt hij. “Ik geniet er dagelijks van.” Daarnaast een nageverfde Turner. Enkele gravures uit zijn geboortestreek Bengalen hangen er wat verloren bij.

In de gang in huize Chaudhuri passeert men bij elke stap een nieuwe etappe in de cultuurgeschiedenis. Van een portret van de Egyptische koningin Nefertite en een replica van een Egyptische poes bij de trap tot natuurtekeningen van Albrecht Dürer en de Venus van Botticelli. En van een reproductie van Het meisje met de Parel van Johannes Vermeer tot een tweetal gravures van Napoleon aan weerszijden van de deur.

Schurken

Anders dan veel van zijn Indiase critici hebben beweerd, koestert Chaudhuri geen blinde bewondering voor het Westen. Hij hekelt het feit dat meisjes in Oxford tegenwoordig nauwelijks meer alleen 's avonds over straat kunnen, uit angst te worden verkracht. “Dat is geen teken van beschaving”, vindt de schrijver. Hij zelf beperkt ook, uit veiligheidsoverwegingen, zijn wandelingetjes buiten de deur inmiddels tot een minimum.

Ook anderszins heeft hij kritiek. “Pak dat dikke boek daar eens”, beveelt hij, wijzend op een Griekse uitgave van de Bijbel. “Pas nog ontdekte ik een passage waar de Anglicaanse kerk het Grieks op een verschrikkelijke wijze naar zijn hand bleek te hebben gezet. Het zijn schurken hoor, die Anglicanen.” Dan hurkt hij neer op het tapijtje en begint naarstig in de Griekse en Anglicaanse Bijbel te bladeren.

Wanneer hij niet onmiddellijk kan vinden wat hij zoekt, brengt hij het gesprek op Dante, die hij spelenderwijs citeert, en vandaar is het maar een klein sprongetje naar Chateaubriand en diens maîtresse in Rome. Een Franse vriend van Chaudhuri die op bezoek is en het gesprek bijwoont, meent dat de schrijver zich nu echt vergist, maar die pakt een boek uit weer een andere kast en met het schaamrood op de kaken moet de Fransman toegeven dat de oude meester het bij het rechte eind had.

Het was niet zozeer Chaudhuri's bewondering voor de Westerse cultuur alswel zijn niets en niemand ontziende analyses van de Indiase samenleving die hem door de jaren heen tot een omstreden figuur maakten. 'Er is nooit een politieke orde of beschaving in India ontstaan zonder dat een sterke buitenlandse macht de dienst uitmaakte in het land', was een van zijn gewraakte uitspraken in zijn autobiografie, een curieus werk waarin hij de politieke en culturele ontwikkeling van India, parallel aan zijn eigen lotgevallen, behandelt.

Ook betoogde de schrijver, in zijn autobiografie en in latere werken, dat de hindoe-cultuur zelfs op zijn hoogtepunt van meer dan 1500 jaar geleden verre van zuiver een produkt van eigen bodem was. Ze was volgens hem sterk beïnvloed door de toenmalige Perzische, Griekse en Romeinse wereld.

Hij stak de draak met vaderlandslievende historici die uit alle macht probeerden de Indiase geschiedenis roemrijker voor te stellen dan die in werkelijkheid was geweest. “De Indiase historici zijn in de eerste plaats chauvinisten”, smaalt Chaudhuri in Oxford.

Met verbazing stelde hij vast dat juist de hindoe's in Noord-India door de eeuwen heen nooit serieus in opstand zijn gekomen tegen de bezettende mogendheden, of dat nu de islamitische Moghuls waren of de Britse koloniale heersers. Ze kropen in hun schulp en haatten de bezetter met heel hun hart. De Indiërs vertoonden, in Chaudhuri's geselende woorden, 'het onvermogen de eigen huid op het spel te zetten en het eigen hart te temmen.'

Gandhi en Hitler

Voor Mahatma Gandhi, de volksheld bij uitstek, toonde Chaudhuri evenmin veel eerbied. Deze zou zich met zijn passieve en vreedzame verzet tegen de Britten slechts hebben aangesloten bij de platte instincten van de Indiase massa's. 'Hij (Gandhi) bleef volkomen ongeschoold in intellectueel opzicht en leefde in opperste blootheid van geest tot zijn dood', schreef Chaudhuri.

Ook nu nog meent Chaudhuri dat de Indiërs hun vrijheid maar zeer ten dele aan zichzelf te danken hebben. “De waarheid is dat de Indiërs hun onafhankelijkheid heel wat meer danken aan Hitler, die de Britten tijdens de Tweede Wereldoorlog bijna volledig uitputte, dan aan Gandhi en hun eigen inspanningen.”

Zulke opvattingen waren in het pas onafhankelijke India vloeken in de kerk. De meeste historici en de politieke elite waren na eeuwen van buitenlandse overheersing en talloze vernederingen juist druk doende de gekwetste hindoe-psyche te masseren met studies die moesten aantonen hoe glorieus hun verleden in feite was geweest.

Jawaharlal Nehru, de toenmalige premier en een van de aartsvaders van het onafhankelijke India, toonde zich hevig gegriefd door Chaudhuri's autobiografie, die des te harder aankwam omdat Chaudhuri - hoewel grotendeels autodidact - er in zijn boek en eerdere essays volop blijk gaf van een diepgaande kennis van de Indiase cultuurgeschiedenis.

“De Indiërs weigeren altijd dingen te geloven, die hun niet bevallen”, zegt Chaudhuri een kleine vijftig jaar later. “Als ze horen dat er een tijger in hun tuin staat, zeggen ze: het is maar een kat. Zodra iemand kritiek op hen heeft, gaan ze bovendien meteen kwaad over de criticus spreken.”

Chaudhuri betaalde de prijs voor zijn stoutmoedigheid. Hij verloor zijn baan als commentator bij de Indiase staatsradio. “Nehru wilde mij en mijn gezin gewoon van de honger laten sterven”, zegt de schrijver. Vrienden bezorgden hem na verloop van tijd een baantje bij de Franse ambassade in New Delhi. Hij zong het er twaalf jaar uit en verdiepte zich verder in de Franse literatuur, waarvoor hij sinds lang een zwak had.

Ondanks de bittere consequenties voor hemzelf heeft Chaudhuri nooit een woord teruggenomen van wat hij had geschreven. Integendeel, in latere werken zette hij op eigen wijze zijn cultuurhistorische verkenningen voort. Een en ander mondde uit in nog elf boeken, waarvan een deel in zijn moedertaal Bengaals.

Chaudhuri heeft zich nooit erg bekommerd om wat andere mensen van hem vonden. Zoals hij enkele maanden geleden nog uiteenzette in een kort essay over zijn reeds 72 jaar omspannende schrijverschap, werkte hij steeds in de eerste plaats om het genoegen van het schrijven zelf en uit behoefte zijn gedachten op papier te zetten. Geld, roem, zelfs aandacht waren van ondergeschikt belang. Wel gaf hij toe dat er diep in hem een drang tot preken leeft.

Toch doet het hem merkbaar goed dat er, nu hij zelf de 100 jaar nadert en India de helft daarvan, meer waardering leeft voor zijn werk, in het bijzonder in de Indiase deelstaat West-Bengalen. Men vraagt hem om bijdragen voor gedenkbundels en herdrukt zijn twaalf boeken: “Eindelijk begint het de mensen te dagen dat die oude man de zaken nog zo gek niet had gezien”.

Die nieuwe belangstelling lijkt vooral uit twee factoren voort te vloeien. Ten eerste stelt India zich de laatste jaren bewust meer open voor de buitenwereld, niet alleen in economisch opzicht maar ook spiritueel. Het krampachtige chauvinisme van de eerste decennia na de onafhankelijkheid begint weg te slijten. Een tweede factor, die verband houdt met de eerste, is dat veel Indiërs gedesillusioneerd zijn geraakt over hun politieke leiders. De generatie van morele gezagsdragers als Mahatma Gandhi en Jawaharlal Nehru is allang vervangen door mensen die zich cynisch vastklampen aan hun machtspositie en zich zoveel mogelijk verrijken op kosten van de gemeenschap.

De kritische kijk van Chaudhuri op India sluit bij deze veranderde omstandigheden aan. Niet iedereen heeft zich echter met de oude mopperpot uit Oxford verzoend, getuige een recente ingezonden brief in het dagblad The Statesman uit Calcutta, het culturele hart van Bengalen. “Het probleem is dat de heer Chaudhuri niet alleen werd geboren in de negentiende eeuw (1897) maar koppig heeft vastgehouden aan de meeste van de opvattingen daarvan”, aldus een zekere Nirmal Chatterjee.

Eilandje van verstand

Nog eenmaal wil Chaudhuri van zich laten horen als schrijver. Het betreft een studie over het culturele verval in de wereld in het algemeen, die binnenkort bij Oxford University Press moet verschijnen. Veel laat de schrijver er niet over los, maar wel onthult hij dat hij hierin serieus de mogelijkheid bespreekt dat de menselijke beschaving binnen twee eeuwen haar eind zal vinden.

De dood nadert intussen voor Chaudhuri zelf, een vooruitzicht dat hem in het geheel niet afschrikt. Op zakelijke toon legt hij uit dat zijn buurvrouw sinds het overlijden van zijn vrouw enkele jaren geleden elke morgen komt controleren of hij nog leeft. Mocht dat niet zo zijn, dan ligt er onder zijn hoofdkussen een enveloppe klaar met geld voor de laatste uitgaven. “Een man die niet in staat is om te sterven, is niet in staat om te leven”, verklaart Chaudhuri met grote stelligheid. In zijn publicaties heeft hij al aangeduid hoe hij na zijn dood wenst te worden herdacht: “Hier ligt de gelukkige man die een eilandje van verstand vormde dat werd omgeven door de koele zin van zijn vrouw, zijn vrienden en zijn kinderen.”

Bij het weggaan verzoekt de schrijver zijn bezoek nog even te gaan zitten. “Ik wil u nog even wat laten horen.” Hij wankelt naar een draaitafel, zet een grammofoonplaat op en draait de volumeknop wijd open. Dan schalt het begin van de Pappageno-Pappagena-aria uit Mozarts Zauberflöte door de kamer. Opgetogen zingt de hoogbejaarde schrijver de eerste maten mee en een gelukkige glimlach krult zich rond zijn lippen.